Appellant, werkzaam als ambtenaar bij de regiopolitie IJsselland, werd bij brief van 1 maart 2011 schriftelijk gewaarschuwd wegens onvoldoende zorgvuldigheid bij urenregistratie. Tevens kreeg hij de opdracht om bij betreding en verlaten van het gebouw gebruik te maken van zijn toegangspas, een maatregel die voor de duur van een jaar gold.
De korpschef verklaarde het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk, stellende dat het een normaal sturingsmiddel betrof en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak echter voor zover het de dienstopdracht betreft, omdat deze opdracht wel degelijk een besluit is dat het rechtspositionele belang van appellant raakt.
De Raad oordeelt dat het dienstbelang, namelijk zorgvuldige registratie van diensturen, het optreden rechtvaardigde. Appellant had reeds twee waarschuwingen ontvangen en het gebruik van de toegangspas biedt objectieve controle over de aanwezigheid. Appellant kon onvoldoende aannemelijk maken dat de maatregel onoverkomelijke bezwaren opleverde. Het bezwaar tegen de dienstopdracht wordt daarom ongegrond verklaard.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, bevestigt het eerdere oordeel over het bezwaar tegen het interne onderzoek, en veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant.