ECLI:NL:CRVB:2013:2469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vermogen en schuld bij bijstandsverlening op grond van de WWB
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 augustus 2011. Uit onderzoek bleek dat zij op 4 mei 2011 een bedrag van €16.305,99 ontving als afkoopwaarde van een verzekering, dat zij direct aan haar vader overmaakte als aflossing van een vermeende schuld.
Het college kende bijstand toe in de vorm van een geldlening, omdat appellante redelijkerwijs over dit vermogen had kunnen beschikken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het bedrag een schuld betrof, onderbouwd met verklaringen en een overeenkomst uit 2003, en dat zij vanwege het tijdsverloop geen stukken kon overleggen.
De Raad oordeelde dat appellante geen objectieve en verifieerbare gegevens had overgelegd waaruit het bestaan van een schuld en een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bleek. De verklaringen en de overeenkomst boden onvoldoende bewijs. Ook het tijdsverloop rechtvaardigde geen uitzondering. Het college had het bedrag terecht betrokken bij de vermogensvaststelling en de ingangsdatum van het interen op het vermogen juist vastgesteld op 1 augustus 2011.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt toegekend als geldlening omdat het bestaan van een schuld niet is aangetoond.