ECLI:NL:CRVB:2013:2504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. S. van der Kolk
- A. I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in tweede spoor
Appellante, werkgever van een werknemer die ziek was, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht in het tweede spoor. De rechtbank had het besluit vernietigd wegens schending van het hoorrecht, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep stond centraal of de loonsanctie terecht was opgelegd.
De Raad overwoog dat uit de eerstejaarsevaluatie en medische rapporten bleek dat er geen concrete medische belemmeringen waren die het starten van re-integratie in het tweede spoor onmogelijk maakten. Appellante had pas laat onderzoek naar tweede spoor mogelijkheden laten starten en daarna onvoldoende activiteiten ondernomen. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts was zorgvuldig en gaf voldoende steun aan het standpunt van het UWV.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat het inzetten van het tweede spoor geen zin had en dat de toekenning van een IVA-uitkering dit zou onderbouwen. De medische en arbeidskundige rapporten waren eensluidend en toonden benutbare mogelijkheden aan. De loonsanctie werd daarom in stand gehouden en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor wordt bevestigd.