ECLI:NL:CRVB:2013:2523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandaanvraag wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Appellant, afkomstig uit de Palestijnse gebieden en staatloos, verblijft sinds 1991 in Nederland en is in 1999 ongewenst verklaard. Hij woont momenteel in een medische opvang voor ongedocumenteerden en ontvangt leefgeld. Op 16 juni 2011 diende appellant een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellant niet beschikte over een geldige verblijfstitel, een vereiste volgens artikel 11 van Pro de WWB. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant in de beoordelingsperiode geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, waardoor artikel 16, tweede lid, van de WWB van toepassing is. Dit artikel sluit bijstand uit, ook bij zeer dringende redenen. Hoewel appellant stelde dat zijn opvang onzeker is en het leefgeld onvoldoende, oordeelde de Raad dat eventuele positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kunnen worden gerealiseerd.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandaanvraag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.