ECLI:NL:CRVB:2013:2641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met neef zonder bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan en gaf aan dat haar nicht bij haar woonde. Een huisbezoek toonde echter aan dat een neef bij haar woonde en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Het college trok de bijstand per 4 november 2011 in op grond van deze gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij zorgbehoevend was en dat er bijzondere omstandigheden waren om haar verklaring niet aan te houden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg was voldaan, mede op basis van de verklaring van appellante tijdens het huisbezoek. Er waren geen bijzondere omstandigheden die haar verklaring onbetrouwbaar maakten. Het beroep op een uitzondering wegens zorgbehoefte faalde omdat de neef geen bloedverwant in de eerste of tweede graad is en appellante niet aannemelijk maakte dat zij intensieve zorg nodig had.
Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd. Vergoeding van schade en proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met de neef wordt bevestigd zonder bijzondere omstandigheden.