Appellant ontving sinds 1969 een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een anonieme tip startte het Uwv een onderzoek waaruit bleek dat appellant vanaf 1995 tot 2002 werkzaamheden verrichtte in het eenmansbedrijf van zijn dochter, wat een loonwaarde vertegenwoordigt. Het Uwv paste daarop de uitkering aan en vorderde onverschuldigde bedragen terug.
Appellant voerde aan dat de Belastingdienst haar standpunt had gewijzigd en dat hem ten onrechte inkomsten uit onderneming waren toegerekend. Het Uwv handhaafde echter het besluit, waarbij het begrip vennootschap onder firma werd losgelaten en werd uitgegaan van een samenwerkingsverband met een economische eenheid.
De Raad constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en vernietigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit. Uit het onderzoek en getuigenverklaringen bleek echter dat appellant daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte die een reële loonwaarde vertegenwoordigen, en dat 50% van de inkomsten aan hem toegerekend kan worden. Er waren geen aanwijzingen dat het onderzoek onzorgvuldig was verlopen.
De Raad oordeelde dat het Uwv terecht de WAO-uitkering heeft geanticumuleerd, ingetrokken en teruggevorderd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van kosten en griffierechten.