Appellante, geboren in 1937 in Nederlands-Indië, diende een aanvraag in voor een toeslag of periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd door de Pensioen en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat zij slachtoffer was van oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo.
De Raad overwoog dat de huiszoekingen door de Japanse bezetter niet gericht waren tegen appellante persoonlijk en dat er geen sprake was van excessief of extreem geweld dat gelijkgesteld kan worden met doodslag of executie. Ook het schuilen voor luchtaanvallen en het doodsteken van een hond voldeden niet aan de criteria van oorlogsgeweld.
Verder werd het beroep van appellante ongegrond verklaard omdat het beleid ten tijde van haar aanvraag duidelijk was en reeds door de Raad was aanvaard. Medische beoordelingen waren niet aan de orde omdat geen erkende oorlogscalamiteiten waren vastgesteld. Hoewel appellante een angstige tijd heeft doorgemaakt, voldeed dit niet aan de specifieke eisen van de Wubo.