ECLI:NL:CRVB:2013:976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag voor vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
Appellante, geboren in een vluchtelingenkamp en sinds 2006 in Nederland verblijvend zonder rechtmatige verblijfsvergunning, vroeg kinderbijslag aan voor haar zoon. De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af op grond van artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat appellante niet verzekerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderscheid naar verblijfsstatus gerechtvaardigd is en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep, verwijzend naar eerdere rechtspraak en de uitspraak van de Hoge Raad die het onderscheid als proportioneel en legitiem beschouwt.
De Raad overwoog dat het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen een zekere beoordelingsvrijheid toekomt en dat de positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro niet via de AKW kunnen worden afgedwongen voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Het beroep op artikel 6a AKW werd eveneens verworpen omdat het niet van toepassing is op de situatie van appellante.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit tot afwijzing van kinderbijslag terecht is gehandhaafd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door T.L. de Vries, in aanwezigheid van griffier Z. Karekezi.
Uitkomst: De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag wordt bevestigd omdat appellante niet rechtmatig in Nederland verbleef.