ECLI:NL:CRVB:2013:BY7640

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-4914 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in WIA-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem in een WIA-zaak. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant bij brief en aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van een griffierecht van €115,- binnen een termijn van 28 dagen. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet tijdig betaald.

De Raad stelt vast dat appellant in verzuim is en dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen zonder inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De uitspraak is gedaan door rechter Ch. van Voorst, met griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder, en is openbaar uitgesproken op 2 januari 2013. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

12/4914 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2012, 12/807 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [C.] hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
OVERWEGINGEN
In artikel 22 van Pro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 6 september 2012 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 115,-- is verschuldigd, en is medegedeeld dat het volledige verschuldigde bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 11 oktober 2012 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen 28 dagen dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig betaald is, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de termijn is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.