ECLI:NL:CRVB:2013:BY8024

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6052 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a BeroepswetArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep in WIA-zaak

In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) het hoger beroep ingetrokken tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar in een WIA-procedure. Betrokkene verzocht vervolgens om vergoeding van de kosten die zij in verband met het hoger beroep heeft moeten maken.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 21a van de Beroepswet het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep op verzoek van een partij kan worden veroordeeld in de proceskosten. Gezien de lange duur van de procedure en het feit dat appellant reeds de betaalde proceskosten en griffierecht had toegezegd, veroordeelde de Raad appellant in de redelijke kosten van betrokkene.

De vergoeding van reiskosten werd beperkt tot de door betrokkene zelf gemaakte kosten, omdat niet was aangetoond dat medische begeleiding noodzakelijk was. De verletkosten werden vastgesteld op tweemaal vier uur voor het bijwonen van zittingen. De Raad wees het verzoek toe en veroordeelde appellant tot betaling van € 222,08 aan kosten.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van € 222,08 aan proceskosten, reiskosten en verletkosten aan betrokkene.

Uitspraak

11/6052 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 september 2011, 11/1050 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[A. te B.]
Datum uitspraak 4 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 21 september 2012 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Daarbij heeft appellant de Raad meegedeeld aan betrokkene de door haar in beroep betaalde proceskosten ten bedrage van € 84,06 en griffierecht ten bedrage van € 41,00 te zullen vergoeden. Voorts heeft appellant aangekondigd zich met betrekking tot vergoeding van door betrokkene gemaakte kosten in hoger beroep te conformeren aan het oordeel van de Raad.
Betrokkene heeft in reactie op de brief van appellant verzocht om toekenning van de kosten die zij in verband met het hoger beroep heeft moeten maken. De Raad heeft op 15 oktober 2012 het daartoe door betrokkene ingevulde formulier proceskosten ontvangen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de proceskosten.
2.1. De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de kosten in hoger beroep heeft gedaan.
2.2. De Raad constateert verder dat appellant, gelet op de lange duur van de procedure met betrekking tot de rechtsvraag die voorlag, aanleiding heeft gezien alsnog de betaalde proceskosten in beroep ten bedrage van € 84,06 en griffierecht ten bedrage van € 41,00 aan betrokkene te vergoeden.
2.3. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden gesteld op € 56,16 in verband met door betrokkene gemaakte reiskosten en € 165,92 in verband met verletkosten, in totaal € 222,08. Hierbij merkt de Raad op dat de vergoeding van de reiskosten beperkt dient te blijven tot de kosten die betrokkene zelf heeft gemaakt, nu zij wel gesteld maar niet heeft aangetoond dat begeleiding in medisch opzicht noodzakelijk was. De te vergoeden verletkosten worden gesteld op € 165,92, zijnde tweemaal vier uur verlet ten behoeve van het bijwonen van de zittingen van de Raad. De Raad ziet geen aanleiding om, met betrekking tot de enkelvoudige zitting op 26 januari 2012, van meer verleturen uit te gaan dan de vier uur die zijn gedeclareerd voor de meervoudige zitting op 4 mei 2012.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 222,08.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) R.L. Rijnen
JvC