ECLI:NL:CRVB:2013:BY8335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4306 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stellen aanvraag bijstand wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellante diende op 3 juni 2010 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college verzocht haar op 9 juli 2010 om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften van alle rekeningen, inclusief spaarrekeningen, binnen een gestelde termijn te overleggen. Appellante leverde niet alle gevraagde gegevens tijdig aan, met name van een spaarloonrekening.

Het college stelde de aanvraag op 23 juli 2010 buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van de gevraagde stukken. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd op 27 oktober 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in juni 2011.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij in de veronderstelling was alle gegevens te hebben verstrekt en dat het college contact met haar had kunnen opnemen om ontbrekende gegevens alsnog te verkrijgen. De Raad oordeelde dat appellante verwijtbaar heeft nagelaten de gegevens tijdig te overleggen en dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Ook het feit dat bij een latere aanvraag wel bijstand werd toegekend, doet hier niet aan af.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding af. De proceskostenveroordeling werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.

Uitspraak

11/4306 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2011, 10/4512 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 8 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Voor appellante is verschenen mr. Breevoort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 3 juni 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 9 juli 2010 heeft het college appellante gevraagd om uiterlijk 21 juli 2010 ontbrekende gegevens te overleggen. Bij besluit van 23 juli 2010 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante niet binnen de in de brief van 9 juli 2010 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.
1.2. Bij besluit van 27 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2010 ongegrond verklaard op de grond dat appellante slechts gedeeltelijk aan het verzoek in de brief van 9 juli 2010 heeft voldaan nu zij geen gegevens heeft overgelegd van bankrekeningnummer [rekeningnummer].
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het niet redelijk is dat de aanvraag buiten behandeling is gesteld omdat zij in de veronderstelling was alle gegevens te hebben overgelegd. Zij heeft erop gewezen dat zij veel gegevens moest overleggen en dat het kan zijn dat zij per ongeluk geen melding heeft gemaakt van de spaarloonrekening, rekening [rekeningnummer], omdat zij van deze rekening bijna geen gebruik maakt. Appellante stelt dat het college contact met haar had kunnen opnemen zodat zij alsnog de gegevens van deze rekening had kunnen aanleveren. Appellante merkt op dat zij per latere datum, 1 augustus 2010, alsnog bijstand toegekend heeft gekregen en dat de gegevens van de spaarloonrekening niet aan bijstandsverlening in de weg hebben gestaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2. Appellante heeft niet betwist dat de gegevens met betrekking tot de spaarloonrekening noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag om bijstand. Evenmin heeft appellante de redelijkheid van de termijn om de gevraagde gegevens te overleggen in twijfel getrokken. Vaststaat dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de bij brief van 9 juli 2010 gegeven hersteltermijn heeft overgelegd.
4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante verwijtbaar heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig over te leggen.
4.3.1. Het college heeft op het formulier Klantbescheiden dat op 3 juni 2010 aan appellante is verstrekt, onder meer, verzocht om gegevens te verstrekken met betrekking tot spaarrekening(en) en waardepapieren (bankboekjes/afschriften). Het college heeft in de brief van 9 juli 2010 verzocht om “afschriften van alle tot uw beschikking staande bankrekeningen over de periode van 3 maart 2010 tot en met heden. Dit betreft ook spaarrekeningen en rekeningen waarop weinig activiteiten plaats vinden.”
4.3.2. Gelet op de vraagstelling op het formulier van 3 juni 2010 en de inhoud van de brief van 9 juli 2010 heeft het college voldoende duidelijkheid gegeven over de concrete gegevens die appellante moest verstrekken.
4.3.3. Dat het appellante is ontschoten om ook tijdig melding te maken van en gegevens te verstrekken over de spaarloonrekening met nummer [rekeningnummer] dient voor haar rekening en risico te blijven. Nu appellante niet binnen de gegeven hersteltermijn volledig heeft voldaan aan het verzoek van 9 juli 2010 en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in staat was om binnen deze termijn de gevraagde gegevens over te leggen, is er geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
4.4. Aan het feit dat bij de latere aanvraag van 1 augustus 2010 de gegevens over de spaarloonrekening wel tijdig zijn ingediend en dat deze aanvraag tot toekenning van bijstand heeft geleid, komt in dit geding geen betekenis toe. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 13 februari 2007, LJN AZ8580) brengt immers de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand, mee dat in beginsel geen betekenis meer toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt.
4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M. Sahin