ECLI:NL:CRVB:2013:BY8633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-3560 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:1 AwbArt. 43 WWBArt. 44 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling registratieformulier en aanvraag bijstand volgens WWB en Awb

Appellant bezocht op 15 maart 2012 het daklozenloket van de gemeente ’s-Gravenhage en er werd een registratieformulier opgemaakt waarin het gesprek werd weergegeven. Appellant maakte bezwaar tegen dit registratieformulier en het uitblijven van een besluit over de toekenning van bijstand op grond van de WWB.

Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het registratieformulier geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb vormt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de melding op 15 maart 2012 als een aanvraag om bijstand moet worden gezien.

De Raad oordeelde dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan volgens artikel 43 WWB Pro en artikel 4:1 Awb Pro. De inhoud van het registratieformulier bevatte geen schriftelijke aanvraag en ook geen adres of verblijfplaats, waardoor er geen sprake was van een melding als bedoeld in artikel 44 WWB Pro. Het registratieformulier is slechts informatief en niet gericht op rechtsgevolgen, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het registratieformulier geen aanvraag of besluit vormt.

Uitspraak

12/3560 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 mei 2012, 12/3262 en 12/3436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak 8 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Alaca, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Alaca. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 15 maart 2012 heeft appellant het daklozenloket van de gemeente ’s-Gravenhage
bezocht.
1.2. Het bij die gelegenheid opgemaakte registratierapport van 15 maart 2012 bevat een weergave van het gesprek tussen appellant en de consulent.
1.3. Appellant heeft op 30 maart 2012 bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het zogenoemde registratieformulier en het uitblijven van een besluit inzake toekenning van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.4. Bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het registratieformulier van 15 maart 2012 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant wel een aanvraag heeft ingediend. Hij heeft zich op 15 maart 2012 gemeld om bijstand aan te vragen. Die melding dient te worden aangemerkt als een aanvraag om bijstand. Dat de aanvraag is afgewezen, kan worden afgeleid uit de aantekening op het registratieformulier dat appellant zich weer kan melden als hij de op het formulier vermelde informatie over zijn feitelijke verblijfplaats wil verstrekken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 1:3 van Pro de Awb is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
4.2. Artikel 4:1 van Pro de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
4.3. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
4.4. In artikel 44, eerste lid van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt dat van een melding kan worden gesproken indien de naam, adres en woonplaats van de betrokkene zijn geregistreerd en hij in staat gesteld is een aanvraag in te dienen.
4.5. De stelling van appellant dat de “melding” op 15 maart 2012 als een aanvraag moet worden aangemerkt, kan niet worden gevolgd. Uit artikel 43, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4:1 van Pro de Awb volgt dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. De feitelijke mededelingen op het registratieformulier kunnen, gelet op de inhoud daarvan, niet als aanvraag worden aangemerkt. Dit betekent dat het college niet gehouden was een besluit te nemen naar aanleiding van het geregistreerde gesprek van 15 maart 2012. Op het registratieformulier is overigens geen adres of woonplaats, noch een door appellant opgegeven feitelijk verblijfadres genoteerd. Van een van de aanvraag te onderscheiden melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB was daarom evenmin sprake.
4.6. Het registratieformulier van 15 maart 2012 zelf houdt een weergave in van het op deze datum gevoerde gesprek. Dit formulier bevat slechts mededelingen van informatieve aard. Niet valt in te zien dat de inhoud van dit formulier gericht is op enig rechtsgevolg. Het bezwaar van appellant was dan ook niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat dit terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4.7. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M. Sahin
QH