ECLI:NL:CRVB:2013:BY9370

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2738 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 WuboAlgemene Oorlogsongevallenregeling
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wubo

Appellante, geboren in 1942 in Nederlands-Indië, verzocht meerdere malen om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Na een eerste afwijzing in 2003 en daaropvolgende herzieningsverzoeken in 2007, 2010 en 2011, werd ook het laatste verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven het eerdere besluit te herzien.

De Raad overwoog dat de verklaringen van betrokkenen onvoldoende specifiek waren om aannemelijk te maken dat appellante direct betrokken was bij ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode in Bandoeng. Bovendien kon de erkenning van een ander familielid als burger-oorlogsslachtoffer niet automatisch leiden tot erkenning van appellante, omdat de toelatingscriteria verschillen.

Gelet op het discretionaire karakter van de herzieningsbevoegdheid en het ontbreken van nieuwe relevante feiten, verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees het verzoek tot herziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening van de afwijzing als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.

Uitspraak

12/2738 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 24 januari 2013
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 maart 2012, kenmerk BZ01402490 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Daar is appellante verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1 Appellante is geboren in 1942 in het toenmalige Nederlands-Indië. In mei 2002 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Die aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 29 januari 2003, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2003, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. In dat verband heeft verweerder overwogen dat er onvoldoende bevestigingsgegevens zijn dat appellante geïnterneerd is geweest tijdens de Japanse bezetting en dat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat zij tijdens de Bersiap-periode direct betrokken is geweest bij de ongeregeldheden te Bandoeng dan wel geïnterneerd is geweest aan de [straat] te Bandoeng. Tot slot heeft verweerder geoordeeld dat het zien van een schotwond bij de baboe niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Tegen het besluit van 29 september 2003 heeft appellante geen beroep ingesteld.
1.2. Bij besluit van 15 januari 2007 respectievelijk 17 mei 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op verzoeken van appellante om het besluit van 29 september 2003 te herzien. In beide gevallen oordeelde verweerder dat appellante bij haar verzoeken geen voor de beslissing van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld waarmee bij de eerder genomen beslissing geen rekening is gehouden.
1.3. In januari 2011 heeft appellante verweerder opnieuw verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 20 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van verweerder heeft appellante ook nu geen gegevens overgelegd die aanleiding geven de eerdere besluiten te herzien. Daarbij is overwogen dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellante en haar zus tijdens de Bersiap-periode bij het rapen van kanarienoten aan de [straat] midden in gevechten terecht zijn gekomen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van de eerdere besluiten niet bekend waren en die een zodanig nieuw licht op de zaak werpen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.2. Zulke feiten en omstandigheden zijn ook nu niet naar voren gekomen. De weigering van verweerder om een betrokkenheid van appellante bij ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode aan te nemen staat voor appellante centraal, maar de gedingstukken en het ter zitting gehouden betoog geven geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt van verweerder alsnog voor onjuist te houden. Zo is de overgelegde verklaring van de (oudere) zuster [D.] niet alleen eerder bij de aanvragen betrokken, maar blijkt daaruit ook dat zij juist het huis niet uit mochten vanwege de onveilige situatie. Verder is de verklaring (en de aanvullingen daarop) van [F.] te algemeen en bevestigt deze feitelijk alleen de, in historische zin bekende, onveilige situatie rond de ingestelde demarcatielijn in Bandoeng. Ook [F.] heeft de door appellante gestelde - persoonlijke - ervaringen rondom de [straat] niet uit eigen waarneming bevestigd. De verklaringen van [D.] en [F.] zijn dermate duidelijk dat verweerder op goede gronden heeft besloten deze twee personen niet te benaderen voor een mondelinge toelichting op hun verklaringen. Dat appellante op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) wel is aanvaard als oorlogsslachtoffer kan op zichzelf niet leiden tot toelating tot de Wubo omdat de toelatingscriteria verschillend zijn. De erkenning van [P.] als
burger-oorlogsslachtoffer wil niet zeggen dat ook appellante direct bij ongeregeldheden betrokken is geweest in de strikte zin die daaraan voor de Wubo moet worden toegekend.
2.3. Gezien het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.
(getekend) R. Kooper
(getekend) M.R. Schuurman