ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-396 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaren wegens termijnoverschrijding ondanks detentie appellant

Appellant was gedetineerd in Italië en stelde dat hij daardoor niet tijdig kennis kon nemen van besluiten van de Minister uit 2008 en 2009. Deze besluiten betroffen terugbetalingsverplichtingen en afwijzing van een verzoek tot verlaging van de maandelijkse aflossing.

De Minister had de bezwaren tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat er geen sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn detentie de reden was voor het te laat indienen van bezwaren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stelling feitelijk niet klopt, omdat de besluiten aan de vader van appellant waren gestuurd die de zaken behartigde. Bovendien was er wel actie ondernomen tijdens de detentie.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bezwaren van appellant worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn ondanks zijn detentie.

Uitspraak

12/396 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 december 2011, 11/81 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak 18 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J.C. Bindels, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 januari 2008 (Bericht Terugbetalen 2008) heeft de Minister appellant een overzicht van zijn schuld per 1 januari 2007 en per 1 januari 2008 verstrekt en hem meegedeeld dat hij per 1 januari 2008 maandelijks € 57,97 dient terug te betalen.
1.2. Bij besluit van 9 september 2008 heeft de Minister aan de gemachtigde van appellant meegedeeld dat de namens appellant ingediende aanvraag van 11 april 2008 om verlaging van de maandelijkse aflossingstermijn buiten behandeling is gesteld, omdat niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens zijn verstrekt.
1.3. Bij brief van 6 januari 2009 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat hij het termijnbedrag voor oktober 2008 niet heeft betaald en dat de deurwaarder is ingeschakeld om het bedrag te innen. Voorts heeft de Minister in deze brief een overzicht verstrekt van de schuld van appellant op 1 januari 2008 en op 1 januari 2009 en hem meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2009 € 57,97 maandelijks dient terug te betalen.
1.4. Bij besluit van 27 december 2010 heeft de Minister de namens appellant ingediende bezwaren tegen de besluiten van 6 januari 2008, 9 september 2008 en 6 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 december 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Minister de bezwaren tegen de onder 2 genoemde beslissingen uit 2008 en 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Van situaties dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.
3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden en zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat appellant in Italië gedetineerd was en hij dus niet tijdig kennis kon nemen van de besluiten, althans dat de niet-tijdige kennisname hem niet kan worden verweten.
4. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. Dat oordeel van de rechtbank is juist. Aan de door de rechtbank gebezigde overwegingen kan worden toegevoegd dat de Minister de brief van 27 januari 2008, die (kennelijk) namens appellant aan de Minister is gezonden naar aanleiding van het besluit van 6 januari 2008, door de Minister niet behoefde te worden opgevat als bezwaarschrift tegen dat besluit. De bewoordingen in die brief bieden daarvoor geen steun. De stelling dat appellant wegens zijn detentie niet, althans niet tijdig, kennis heeft kunnen nemen van de besluiten die hem later in 2008 en 2009 zijn toegezonden, mist feitelijke grondslag. Deze besluiten zijn toegezonden aan de vader van appellant, die de zaken van appellant vanaf 2008 voor hem heeft waargenomen. Vastgesteld kan worden dat tegen deze besluiten - zij het te laat - actie is ondernomen op een moment dat appellant nog gedetineerd was.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas
TM