ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en voortzetting van ANW-uitkering en proceskostenvergoeding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) per 1 april 2008 werd beëindigd omdat haar jongste kind 18 jaar werd. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat aanvankelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 december 2010 gegrond, maar oordeelde dat de beëindiging terecht was.
In hoger beroep heeft de Svb het eerdere besluit niet gehandhaafd en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond, waardoor de uitkering ongewijzigd werd voortgezet vanaf 1 april 2008. Appellante betwistte in hoger beroep alleen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding, stellende dat haar gemachtigde twee proceshandelingen had verricht.
De Raad oordeelt dat het forfaitaire systeem van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) slechts vergoeding toekent voor één proceshandeling in bezwaar en dat het telefonische overleg niet gelijkgesteld kan worden aan het verschijnen ter hoorzitting. De Raad veroordeelt de Svb tot betaling van € 708,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 112,- aan appellante.
De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover deze oordeelde dat de uitkering terecht was beëindigd, en het beroep tegen het besluit van 15 december 2010 wordt gegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 12 juni 2012 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De ANW-uitkering wordt ongewijzigd voortgezet vanaf 1 april 2008 en de Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.