ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 1 mei 2010 geen recht had op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele beperkingen van appellant niet waren onderschat. De rechtbank achtte de voorbeeldfuncties die het UWV gebruikte passend, mede gelet op de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige.
In hoger beroep herhaalde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten, met name zijn verminderde gezichtsvermogen dat beeldschermwerk zou belemmeren. De Raad concludeerde echter dat de aanvullende stukken geen aanleiding gaven het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts had toegelicht dat appellant volgens de CBBS-systematiek geen zwaardere beperkingen had en dat hij beeldschermwerk kon verrichten met aanpassingen.
De Raad bevestigde dat de arbeidskundige rapporten voldoende toelichting gaven dat de belasting in de voorbeeldfuncties niet boven de mogelijkheden van appellant uitging. Wel werd erkend dat de functie medewerker administratieve services niet passend was vanwege het vereiste opleidingsniveau, maar andere functies waren wel passend, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid nihil bleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.