ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0597

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3036 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 1 mei 2010 geen recht had op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele beperkingen van appellant niet waren onderschat. De rechtbank achtte de voorbeeldfuncties die het UWV gebruikte passend, mede gelet op de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige.

In hoger beroep herhaalde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten, met name zijn verminderde gezichtsvermogen dat beeldschermwerk zou belemmeren. De Raad concludeerde echter dat de aanvullende stukken geen aanleiding gaven het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts had toegelicht dat appellant volgens de CBBS-systematiek geen zwaardere beperkingen had en dat hij beeldschermwerk kon verrichten met aanpassingen.

De Raad bevestigde dat de arbeidskundige rapporten voldoende toelichting gaven dat de belasting in de voorbeeldfuncties niet boven de mogelijkheden van appellant uitging. Wel werd erkend dat de functie medewerker administratieve services niet passend was vanwege het vereiste opleidingsniveau, maar andere functies waren wel passend, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid nihil bleef.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/3036 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 april 2011, 10/1625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.M.S. van den Berg hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 14 december 2012. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 april 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 mei 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op deze datum. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. Op grond van de beschikbare gegevens heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat de functionele beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om de door het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde functies medisch ongeschikt te achten voor appellant, gelet op de daarbij gegeven toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en beperkingen. Hij heeft benadrukt dat de functies waarin hoofdzakelijk met beeldscherm wordt gewerkt vanwege zijn verminderde gezichtsvermogen op de in geding zijnde datum 1 mei 2010 ongeschikt voor hem waren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft - na het bijwonen van de hoorzitting - uitgebreid gerapporteerd over zijn onderzoek. Zijn rapport bevat een samenvatting van het medisch dossier en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts van het Uwv die appellant persoonlijk heeft onderzocht op 30 maart 2010. Verder is daarin een bespreking van de bezwaren van appellant opgenomen en is rekening gehouden met de verkregen informatie tijdens de hoorzitting van het Uwv (waaronder een brief van de behandelend oogarts van 23 juni 2010) en met zijn eigen aanvullende medisch onderzoek.
De door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies zijn inzichtelijk.
De bezwaarverzekeringsarts heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op het item ‘zien’ aangevuld met: “Cliënt ziet subnormaal ODS 0.4. Heeft baat bij groter lettertype/beeldscherm, goede verlichting en ergonomie m.b.t. zijn houding bij lezen.”. Verder heeft hij de beperking bij het onderdeel ‘staan’ aangevuld met ‘tot 10 minuten’. De FML vormt naar het oordeel van de Raad, tezamen met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, een deugdelijke grondslag voor het vaststellen van de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellant.
4.2. De door appellant in beroep toegezonden aanvullende stukken geven geen aanleiding het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie op deze stukken te kennen gegeven waarom daaruit, naar de maatstaven van de CBBS-systematiek gemeten, geen extra of zwaardere functionele beperkingen kunnen worden afgeleid geldend op 1 mei 2010. Uit deze stukken is niet gebleken dat appellant, met inachtneming van de algemeen geldende regels inzake arbeidsomstandigheden en de specifiek voor hem geldende voorwaarden genoemd in de FML, geen beeldschermwerk zou kunnen verrichten.
4.3. Uitgaande van de door het Uwv vastgestelde functionele mogelijkheden van appellant heeft de rechtbank ook met juistheid geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten voldoende is toegelicht dat de belasting in de geduide voorbeeldfuncties destijds de mogelijkheden van appellant niet te boven ging. De bezwaararbeidsdeskundige heeft eveneens het voor deze functies vereiste opleidingsniveau bezien en geconcludeerd dat de functie medewerker administratieve services niet geschikt is vanwege het vereiste opleidingsniveau (MBO-diploma op niveau 3 in administratieve richting) waaraan appellant, die in het bezit is van diploma’s HAVO en Pedagogische Academie, niet voldoet. Vastgesteld is dat de gehanteerde functies van schadecorrespondent, administratief medewerker en inkoper qua opleiding wel geschikt zijn, en dat op basis van de bij deze functies behorende (theoretische) verdiencapaciteit de mate van arbeidsongeschiktheid op nihil blijft.
4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt
GdJ