ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-723 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.21 Wet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing ingangsdatum studiefinanciering na afwijzing eerder verzoek

Appellant betwistte de ingangsdatum van zijn studiefinanciering, stellende dat hij reeds in april 2010 een aanvraag had ingediend, wat recht zou geven op een eerdere toekenning per 1 oktober 2010. De Minister handhaafde aanvankelijk een ingangsdatum van 1 februari 2011, later aangepast naar 1 januari 2011, gebaseerd op ontvangst van een aanvraag op 31 december 2010.

De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een eerdere aanvraag was ontvangen, mede omdat de postadministratie van de Minister geen ontvangst van een aanvraag voor december 2010 vermeldde. Appellant voerde aan dat het postregistratiesysteem niet onfeilbaar is, maar kon niet aantonen dat hij de aanvraag daadwerkelijk had verzonden.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de uitspraak. Het hoger beroep werd verworpen omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij eerder dan december 2010 een aanvraag had ingediend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ingangsdatum van studiefinanciering blijft 1 januari 2011.

Uitspraak

12/723 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
22 december 2011, 11/226 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 maart 2011 waarbij de Minister, beslissend op bezwaar, de ingangsdatum van de aan appellant toegekende studiefinanciering heeft gehandhaafd op 1 februari 2011. De Minister baseert deze ingangsdatum op de door hem op 26 januari 2011 ontvangen aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering.
1.2. In de loop van de procedure bij de rechtbank heeft de Minister een nieuw besluit gedateerd 13 mei 2011 genomen waarbij aan appellant vanaf 1 januari 2011 studiefinanciering is toegekend. De Minister stelt zich bij nader inzien op het standpunt dat door hem reeds eerder, en wel op 31 december 2010, een aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering is ontvangen.
1.3. Appellant heeft zijn beroep gehandhaafd omdat hij van mening is dat hij reeds omstreeks 19 april 2000 een aanvraag om studiefinanciering heeft ingediend zodat hij recht heeft op toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2010, zijnde de eerste dag van het kwartaal waarop hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
1.4. De rechtbank heeft - voor zover van belang - het beroep tegen de in het besluit van
13 mei 2011 vastgestelde ingangsdatum van toekenning van studiefinanciering op 1 januari 2011, ongegrond verklaard. Van een eerder ingediende aanvraag dan de op 31 december 2010 door de Minister ontvangen aanvraag van 18 december 2010 is de rechtbank niet gebleken. Daartoe is overwogen dat een aanvraag om studiefinanciering in de zin van artikel 3.21 van de Wet studiefinanciering 2000 is ingediend zodra de aanvraag door de Minister is ontvangen. Met de verzending van een aanvraag staat de ontvangst van de aanvraag nog niet vast. In de postadministratie van de Minister is de ontvangst van een aanvraag die per 1 oktober zou moeten leiden tot toekenning van studiefinanciering niet vermeld. Uit hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd is de rechtbank niet gebleken dat deze administratie gebrekkig is, noch is gebleken dat er enige andere aanwijzing is dat de aanvraag bij de Minister is ontvangen. Nu de aanvrager de wijze kiest waarop hij zijn aanvraag indient, is de rechtbank van oordeel dat indien de ontvangst van een aanvraag wordt ontkend, de aanvrager in de regel het risico draagt dat niet komt vast te staan dat de bedoelde aanvraag is ontvangen.
2. Appellant heeft hoger beroep ingesteld omdat hij van mening is en blijft dat hij met de brief van de Minister van 13 april 2010, waarbij aan hem een aanvraagset is toegezonden, en de overgelegde kopie van het op 19 april 2010 gedateerde aanvraagformulier, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij reeds per aanvraagformulier van 19 april 2010 om studiefinanciering heeft verzocht en hem daarom ten onrechte niet per 1 oktober 2010 studiefinanciering is toegekend. De rechtbank heeft te veel waarde toegekend aan het postregistratiesysteem van de Minister nu dergelijke systemen niet onfeilbaar zijn.
3.1. De aangevoerde gronden hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Appellant is er ook in hoger beroep niet in geslaagd aannemelijk te maken dat eerder dan in december 2010 een aanvraag om studiefinanciering door de Minister is ontvangen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank - voor zover aangevallen - volledig en verwijst hiernaar, evenals naar zijn uitspraak van 30 juli 2010 met LJN BN3264.
3.2. Het is zelfs zo dat appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zoals hij stelt, het op 19 april 2010 ondertekende aanvraagformulier op of omstreeks die datum ter post heeft bezorgd. Uit de door appellant overgelegde stukken kan niet meer worden afgeleid dan dat hem desgevraagd bij brief van 13 april 2010 een aanvraagset is toegezonden en hij vervolgens op 19 april 2010 een aanvraagformulier heeft ingevuld en ondertekend. Omdat de verzending van de aanvraag al niet aannemelijk is geworden is reeds om die reden niet gebleken van een eerder ingediende aanvraag.
3.3. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) M. Sahin
IJ