ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1478

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1569 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000Wet studiefinanciering 2000Wet op de loonbelasting 1964Wet op de loonbelastingZorgverzekeringswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering wegens meerinkomen uit eigen bijverdiensten onder Wsf 2000

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin een vordering werd vastgesteld wegens teveel aan eigen bijverdiensten onder toepassing van artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van de Minister.

In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen sprake was van meerinkomen en dat onder meer de premies volksverzekeringen in mindering moesten worden gebracht op het toetsingsinkomen. Tevens betwistte appellant dat een bedrag van € 554,- aan stagevergoeding als loon moest worden beschouwd.

De Raad stelde vast dat de Minister het toetsingsinkomen juist had vastgesteld op basis van gegevens van de Belastingdienst. De stagevergoeding was als loon verantwoord en er was loonheffing ingehouden. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag onbelast was betaald. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering wegens meerinkomen wordt bevestigd.

Uitspraak

11/1569 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
26 januari 2011, 10/1361 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een nader stuk ingezonden.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Appellant is verschenen met bijstand van mr. K.A. Faber, advocaat. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
Het onderzoek is heropend.
De Minister heeft een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 21 december 2012. Appellant is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van de Minister van 24 juni 2010 ongegrond verklaard. In het besluit van 24 juni 2010 heeft de minister onder toepassing van artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) een vordering vastgesteld wegens teveel aan eigen bijverdiensten van appellant. Volgens dit besluit dient appellant in totaal € 1379,51 terug te betalen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betogen dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Appellant neemt het standpunt in dat de vordering wegens meerinkomen onrechtmatig is omdat er geen meerinkomen is. Het totaal verschuldigde bedrag van € 3915,- aan premies volksverzekeringen, zoals dat op de overgelegde belastingaanslag van appellant voorkomt, moet volgens hem in mindering worden gebracht op het toetsingsinkomen. Volgens appellant heeft de Minister voorts ten onrechte daarbij een bedrag van € 554,- aan stagevergoeding betrokken.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. Ingevolge artikel 3.17 van de Wsf 2000, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang leidt, indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, dit tot een vordering op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet. Het toetsingsinkomen is het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de ingehouden loonheffing en premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
4.2. De rechtbank is terecht van oordeel dat de Minister niet van onjuiste de bedragen is uitgegaan en dat de Minister het voor appellant geldende toetsingsinkomen juist heeft vastgesteld. De Minister heeft in zijn brief van 30 december 2010 aan appellant vermeld dat het genoemde bedrag van € 3915,- niet is ingehouden op het genoten loon of anderszins is betaald. Het laatstgenoemde bedrag betreft de premie volksverzekeringen die berekend wordt over het verzamelinkomen. Op de over het verzamelinkomen berekende inkomstenbelastingen premies volksverzekeringen wordt de heffingskorting in mindering gebracht. Het bedrag dat dan resteert betreft de daadwerkelijk verschuldigde bedragen aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Dit is volgens de gedingstukken een bedrag van € 1519,-.
4.3. Blijkens van de Belastingdienst verkregen gegevens is de stagevergoeding van
€ 554,- door de werkgever aan de fiscus verantwoord als loon en is er loonheffing ingehouden bij de uitbetaling daarvan. Appellant heeft, hoewel hij in de gelegenheid is gesteld om zijn werkgever te bewegen dienaangaande bij de fiscus de nodige stappen te zetten, niet aannemelijk gemaakt dat het laatstgenoemde bedrag betaald is als onbelaste onkostenvergoeding.
4.4. Gezien hetgeen is overwogen in de 4.1 tot en met 4.3 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) M. Sahin
IJ