ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1493

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-2249 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van beslissing UWV inzake terugvordering WAO-uitkering

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende een terugvordering van een WAO-uitkering door het UWV. Het verzoek betrof de juistheid van de berekeningen die ten grondslag liggen aan het terug te vorderen bedrag van €41.495.

De Raad heeft in haar overwegingen bevestigd dat herziening alleen mogelijk is op basis van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Verzoeker heeft echter geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid naar voren gebracht die aan deze criteria voldoet.

Daarom is het verzoek om herziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 februari 2013.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

12/2249 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 september 2009, 09/63
Partijen:
[A. te B. ] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft een verzoek om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad ingediend.
Het Uwv heeft een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H.M.A. Zwarts. De zaak is gevoegd behandeld met het geding met nummer 10/6526 WAO. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, gepubliceerd onder LJN BJ9160, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 december 2008, 08/85, bevestigd, voor zover aangevochten. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard. Met het laatstgenoemde besluit, heeft het Uwv, ter uitvoering van de uitspraak van Raad van 30 mei 2006, LJN AX8565, de hoogte van het van verzoeker terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 41.495,-.
3. In zijn verzoek om herziening heeft verzoeker betoogd dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan het terug te vorderen bedrag niet juist zijn.
4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van
3 oktober 2003, LJN AN7982, is het (bijzonder) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in
artikel 8:88 van Pro de Awb juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepaling van de Awb, naar voren heeft gebracht.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) Z. Karekezi
QH