ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-7259 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging draagkrachtvaststelling 2011 op basis van verzamelinkomen 2009

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn draagkracht voor 2011, welke door de Minister was vastgesteld op €96,74 per maand op basis van het verzamelinkomen van 2009. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant niet had aangetoond dat de gebruikte inkomensgegevens onjuist waren. Tevens werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen vanwege wettelijke bepalingen.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, stellende dat zijn inkomen onder het draagkrachtvrije bedrag lag en hij daarom geen draagkracht had. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat appellant ook in hoger beroep geen nieuwe gronden had aangevoerd of onjuistheden had aangetoond.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Hoogenboom op 15 februari 2013.

Uitkomst: De draagkracht van appellant voor 2011 blijft vastgesteld op €96,74 per maand op basis van het verzamelinkomen 2009.

Uitspraak

11/7259 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 november 2011, 11/251 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Appellant is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 10 december 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 6 november 2010 waarbij de draagkracht van appellant voor 2011 is vastgesteld op € 96,74 per maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Minister geheel in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de draagkracht van appellant voor 2011 heeft berekend op basis van het door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen van appellant over het jaar 2009. Gesteld noch gebleken is dat de hoogte van het in aanmerking genomen verzamelinkomen van appellant in 2009 niet juist zou zijn. Voor zover appellant een beroep op de hardheidsclausule heeft willen doen door te wijzen op zijn persoonlijke omstandigheden, slaagt dit beroep niet gelet op het bepaalde in artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000. Het betoog van appellant dat de Minister hem in de gelegenheid had moeten stellen een verzoek om peiljaarverlegging aan te vragen, faalt. Een verzoek om peiljaarverlegging betreft een procedure die los staat van de onderhavige procedure.
3. In hoger beroep handhaaft appellant zijn in bezwaar en beroep geuite gronden en verwijst daarnaar. Appellant benadrukt dat hij geen draagkracht heeft omdat zijn inkomen onder het draagkrachtvrije bedrag ligt.
4. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden aangevoerd. De rechtbank heeft de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden beoordeeld en gemotiveerd geoordeeld dat zij niet slagen. De Raad sluit zich aan bij de ter zake door de rechtbank gegeven overwegingen. De Raad voegt hier aan toe dat appellant ook in hoger beroep op geen enkele wijze heeft aangetoond dat aan de berekening van zijn draagkracht over 2011 onjuiste inkomensgegevens ten grondslag liggen.
5. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) M. Sahin
IJ