ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1885

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-2438 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oordeel ongeschiktheid appellant voor functie hoofd technische dienst aan boord fregat

Appellant werd per 26 januari 2009 aangesteld als ondergeschikt hoofd technische dienst (OGHTD) aan boord van een fregat, met het oog op vervanging van de hoofd technische dienst (HTD). In een gespreksnotitie van 27 februari 2009 werd vastgelegd dat appellant in aanmerking kon komen voor de functie van HTD, waarna op of omstreeks 26 juli 2009 een beoordeling zou plaatsvinden.

Op 15 mei 2009 stelde de commandant een rapportage op waarin werd geconcludeerd dat appellant nog niet geschikt was om de functie van HTD volledig en adequaat te vervullen. Dit rapport werd bij besluit van 3 februari 2010 als ambtsbericht aangemerkt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd bij besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn beroepsgronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant vanaf het begin duidelijk was dat hij zich moest bewijzen in de functie van HTD, ondanks zijn formele aanstelling als OGHTD. Het oordeel dat appellant nog niet geschikt was voor de functie van HTD werd met voldoende concrete voorbeelden onderbouwd, waaronder onvoldoende handelend en besluitvaardig optreden, wat leidde tot onvoldoende scheepsbrede coördinatie van calamiteitenbestrijding.

De Raad concludeerde dat appellant een ongebruikelijke kans had gekregen en dat de verkorte termijn van beoordeling objectief was gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit dat appellant niet geschikt is voor de functie van hoofd technische dienst wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2438 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 9 maart 2011, 10/7078 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Commandant Zeestrijdkrachten (commandant)
Datum uitspraak 21 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft L.C. van der Hulst hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart. Als deskundige is door appellant meegebracht en gehoord de KLTZT J.M.F. Mulder. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema.
OVERWEGINGEN
1. Naar aanleiding van verschillende gesprekken en e-mailcontacten eind 2008, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een “gespreksnotitie loopbaangesprek” van 27 februari 2009, is appellant per 26 januari 2009 de functie van OGHTD (ondergeschikt hoofd technische dienst) aan boord van de [naam fregat] gaan vervullen, in beginsel tot 1 augustus 2009. Aansluitend, aldus de gespreksnotitie, kon appellant in aanmerking komen voor de functie van HTD aan boord van de [naam fregat]. Op of omstreeks 26 juli 2009 zou de commandant worden verzocht een beoordeling op te maken om te kunnen bepalen of appellant de vereiste bekwaamheid en geschiktheid voor deze functie bezit.
1.1. Op 15 mei 2009 heeft de commandant van de [naam fregat] een rapportage opgesteld over het functioneren van appellant in de periode van 26 januari 2009 tot 15 mei 2009. Appellant wordt nog niet in staat geacht om de functie van HTD op een fregat volledig en op adequate wijze te vervullen. Bij besluit van 3 februari 2010 is de rapportage als ambtsbericht aangemerkt. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de commandant bij besluit van 27 augustus 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden herhaald. De commandant heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft ten aanzien van het ambtsbericht een juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Bezien is of de in het ambtsbericht neergelegde bevindingen feitelijk correct zijn en een juist beeld geven van de situatie en of het besluit in redelijkheid kon worden genomen.
4.2. Het oordeel van de rechtbank dat dit het geval is geweest wordt onderschreven. Appellant moet, gelet ook op hetgeen in de gespreksnotitie is verwoord, vanaf het begin duidelijk zijn geweest in welke functie hij zich mocht bewijzen: die van HTD. Daartoe was hij aan boord weliswaar als OGHTD geplaatst, maar met het oog op het kunnen vervangen van de HTD. Aan boord was nog een OGHTD geplaatst, die uitsluitend als zodanig werkzaam was. De bijzondere positie van appellant is weliswaar niet schriftelijk vastgelegd, maar is appellant bij zijn aantreden duidelijk gemaakt, zo heeft hij ter zitting verklaard. Appellant is aldus een - ongebruikelijke - kans geboden en niet valt in te zien waarom dat onzorgvuldig zou zijn. Dit is ook niet het geval ten aanzien van de verkorte termijn. Hoewel de plaatsing voor een beperkte periode aanvankelijk in beginsel tot augustus 2009 zou duren, werd de periode bekort vanwege het vaarprogramma van het fregat. Dat is een afdoende en objectieve reden. Appellant heeft niet betwist dat de relevante oefeningen alle voor 15 mei 2009 zijn gehouden.
4.3. Het oordeel dat appellant op dat moment nog niet geschikt was voor de functie van HTD is met voldoende concrete voorbeelden onderbouwd. De bevindingen van de commandant worden onderschreven door LTZT Zwart (de HTD), die appellant heeft begeleid in zijn rol als fungerend HTD. Appellant trad te weinig handelend en besluitvaardig op als gevolg waarvan de scheepsbrede coördinatie van de calamiteitenbestrijding onvoldoende plaatsvond. Overigens wordt op een aantal punten ook waardering voor het optreden van appellant uitgesproken.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.
(getekend) K. Zeilemaker
(getekend) S.K. Dekker
HD