ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4570 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel ontvangen wachtgeld wegens niet verstrekte inkomensinformatie

Appellant, voormalig beroepsmilitair, ontving na eervol ontslag wachtgeld op grond van de Militaire Wachtgeldregeling 1961. Na zijn dienst bij Defensie trad hij in dienst bij de regiopolitie Drenthe en stuurde maandelijks inkomensgegevens aan KPMG, de uitvoerder van de regeling. KPMG introduceerde een wijzigingsformulier dat alleen bij wijzigingen ingevuld hoefde te worden. Appellant gaf enkele wijzigingen door, maar verstrekte niet alle benodigde informatie over inkomensfluctuaties.

De minister vorderde vervolgens een bedrag van €13.685,84 terug wegens te veel ontvangen wachtgeld over de periode augustus 2007 tot januari 2010. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant voldoende geïnformeerd was over zijn verplichtingen en dat de terugvordering terecht was.

In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitspraak. De Raad benadrukt dat de hoogte van het wachtgeld afhankelijk was van de inkomsten van appellant en dat de minister daarom informatie over fluctuaties nodig had. Omdat appellant deze informatie niet verstrekte, ook al handelde hij te goeder trouw, is te veel wachtgeld uitbetaald. Het hoger beroep wordt afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van te veel ontvangen wachtgeld bevestigd.

Uitspraak

11/4570 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 10/5598 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
Datum uitspraak 21 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Voor appellant is mr. Bergenhenegouwen verschenen. De minister heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Voor zover de gedingen aanvankelijk zijn gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, zijn deze in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
2.1. Aan appellant is na zijn eervol ontslag als beroepsmilitair met ingang van 7 november 2005 wachtgeld toegekend op grond van de Militaire Wachtgeldregeling 1961. Die regeling wordt uitgevoerd door KPMG Management Services (KPMG). Appellant is aansluitend in dienst getreden bij de regiopolitie Drenthe. Maandelijks stuurde hij aan KPMG een informatieformulier met onder meer gegevens over zijn - wisselende - inkomsten over de voorgaande maand. Bij brief van 30 juli 2007 heeft KPMG appellant geïnformeerd over de introductie van het wijzigingsformulier defensie, dat het huidige informatieformulier vervangt. In die brief staat dat hij dit wijzigingsformulier slechts hoeft te retourneren, indien een wijziging in zijn situatie is opgetreden, zoals bijvoorbeeld een adreswijziging of een wijziging in zijn inkomenssituatie, en dat de wachtgelduitkering betaalbaar wordt gesteld conform de bij KPMG bekende gegevens, indien KPMG geen wijzigingsformulier ontvangt. Omdat hij was bevorderd tot hoofdagent, heeft appellant aan KPMG doorgegeven dat zijn salaris is gewijzigd. Op verzoek van KPMG heeft hij ook salarisspecificaties ingezonden over de maanden juli 2007 tot en met november 2009 en januari 2010.
2.2. Bij besluit van 22 maart 2010 heeft de minister een bedrag van in totaal € 13.685,84 van appellant teruggevorderd wegens te veel ontvangen wachtgeld over de periode van augustus 2007 tot en met januari 2010. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juni 2010 (bestreden besluit).
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgde appellant niet in zijn betoog dat hij niet goed geïnformeerd is en dat de berekening van de terugvordering niet juist is. Daartoe overwoog de rechtbank dat in het toekenningsbesluit van 3 januari 2006 en in het besluit van 23 maart 2006 is toegelicht hoe de uitkering wordt berekend en de formule is aangegeven voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat op de bruto wachtgelduitkering in mindering wordt gebracht wegens neveninkomsten. De rechtbank volgde appellant evenmin in zijn standpunt dat hem niet duidelijk kon zijn dat hij nog steeds maandelijks zijn loonspecificatie moest inzenden, nu bij KPMG bekend was dat hij een inkomen had dat varieerde. Het precieze maandelijkse bedrag kon KPMG niet bekend zijn zonder informatie van appellant. Dat hij uit de brief van 30 juli 2007 niet had begrepen dat met een wijziging in zijn inkomenssituatie ook de fluctuatie in zijn inkomen wordt bedoeld, maakt dit volgens de rechtbank niet anders.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot terugvordering van het onverschuldigd aan appellant betaalde bedrag aan wachtgeld.
4.2. Wat appellant daarover in hoger beroep heeft aangevoerd komt overeen met de in beroep aangevoerde gronden en leidt niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd. Hij voegt daaraan toe dat de hoogte van het aan appellant toekomende wachtgeld afhankelijk was van zijn inkomsten en dat de minister daarom informatie van appellant over de fluctuaties in zijn inkomsten nodig had om de wachtgelduitkering juist te kunnen vaststellen. Doordat appellant deze informatie niet heeft verstrekt, ook al handelde hij daarbij te goeder trouw, is aan hem te veel wachtgeld uitbetaald.
4.3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) S.K. Dekker
HD