ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1915
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering WUBO-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1944 in Nederlands-Indië, werd erkend als oorlogsgetroffene vanwege internering tijdens de Bersiap-periode. Hij werd echter niet toegelaten tot een WUBO-uitkering omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Na een eerdere afwijzing en niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar, diende appellant in 2011 een nieuwe aanvraag in met medische rapporten ter onderbouwing.
Verweerder handhaafde de afwijzing, waarbij medische adviseurs concludeerden dat de psychische klachten en hoge bloeddruk van appellant niet veroorzaakt zijn door het oorlogsgeweld, maar door andere traumatische gebeurtenissen. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk is voorbereid en voldoende gemotiveerd, en dat het beroep op omgekeerde bewijslast niet slaagt.
Het beroep van appellant op sequentiële oorlogstraumatisering werd verworpen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het oorlogsgeweld van bepalende invloed is geweest op de psychische problematiek. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld.