ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1918

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-3503 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WUBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering

Appellant, geboren in 1930, verzocht in april 2010 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een WUBO-uitkering. Hij stelde dat hij tijdens de oorlog evacuaties, bombardementen en beschietingen had meegemaakt in Amersfoort, Bremen en Groningen. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

De Raad overwoog dat voor erkenning onder de WUBO vereist is dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld, zoals lichamelijk of psychisch letsel door krijgsverrichtingen of vijandelijke maatregelen. De vlucht uit Amersfoort was een zelfgekozen evacuatie uit voorzorg, geen levensbedreigende situatie. Bombardementen en beschietingen waren niet zodanig dichtbij dat appellant direct werd getroffen; hij verbleef bijvoorbeeld in een bunker tijdens bombardementen in Bremen.

Appellant maakte geen melding van verwondingen of directe confrontatie met letsel of overlijden van naasten. De Raad concludeerde dat de WUBO een beperkte strekking heeft en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor erkenning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Uitspraak

12/3503 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak 21 februari 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2012, kenmerk BZ01326641 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn dochter [naam dochter]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1930, heeft in april 2010 bij verweerder een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en toekenning van onder meer een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangegeven dat er sprake is geweest van een evacuatie uit Amersfoort en dat hij bij zijn terugkeer in Amersfoort bombardementen heeft meegemaakt. Tegen het eind van de oorlog is hij met de trein in Duitsland aangekomen en tijdens die treinreis werd de trein beschoten. Vervolgens is hij via Altenfelt in Bremen terecht gekomen. Daar heeft hij bombardementen meegemaakt. Vlak voor de bevrijding verbleef hij in Groningen en zijn er in de straat voor de woning beschietingen geweest tussen Duitsers en Canadezen, aldus appellant.
1.2. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 17 februari 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Volgens verweerder is onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2 van Pro de WUBO is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, ten gevolge waarvan hij blijvend invalide is geworden.
Hieruit volgt dat als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager (direct) betrokken is geweest bij oorlogsgeweld.
2.2. Wat betreft de gestelde evacuatie uit Amersfoort is ook de Raad niet gebleken dat deze heeft plaatsgevonden vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de vlucht naar een veiligere omgeving heeft plaatsgevonden op eigen initiatief vanwege de op handen zijnde invasie van de Duitsers. Een dergelijke zelfverkozen vlucht uit voorzorg kan niet worden aangemerkt als een gebeurtenis in de zin van de Wubo (CRvB 10 mei 2012, LJN BW5447). Dat appellant en zijn zuster tijdens de evacuatie het geluid van beschietingen hebben gehoord, wil niet zeggen dat zij zelf zijn beschoten.
2.3. Ten aanzien van de bombardementen op Amersfoort en Bremen is niet gebleken dat appellant hierbij (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals dat is vereist op grond van artikel 2 van Pro de Wubo. Voor een dergelijke betrokkenheid bij bombardementen is onder meer van belang de afstand tussen appellant en de inslagen en explosies, de plaats waar hij zich bevond ten tijde van de inslagen, de aard van de schuilplaats, de materiële schade in de directe omgeving en de vraag of hij zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten (CRvB 13 oktober 2011, LJN BT7670). Appellant heeft enkel verklaard dat hij in Amersfoort bombardementen heeft gehoord en dat hij V-1 en V-2 raketten heeft over zien vliegen. Van gewonden of schade in zijn directe omgeving is door appellant geen melding gemaakt. Ook niet ten aanzien van de bombardementen op Bremen. Daarbij komt nog dat appellant tijdens de bombardementen op Bremen in een bunker heeft kunnen schuilen.
2.4. Ook ten aanzien van de beschietingen tijdens de treinreis naar Duitsland en de beschietingen tijdens zijn verblijf in Groningen is van een directe betrokkenheid niet gebleken. Zo heeft appellant ook hier geen melding gemaakt dat hij gewond is geraakt of dat er in zijn naaste omgeving gewonden of doden zijn gevallen.
2.5. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard. Niet wordt betwijfeld dat appellant tijdens de oorlogsjaren onder moeilijke omstandigheden heeft moeten leven. De Wubo heeft echter een beperkte strekking, in die zin dat sprake moet zijn geweest van specifiek omschreven oorlogservaringen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.
(getekend) R. Kooper
(getekend) V.C. Hartkamp
HD