ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1920
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering vergoeding balneotherapie wegens gebrek aan medische noodzaak bij vervolgingsslachtoffer
Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, verzocht vergoeding van kosten voor balneotherapie vanwege klachten voortvloeiend uit vervolging. Verweerder wees dit af omdat balneotherapie primair gericht is op lichamelijke aandoeningen zoals gewrichts-, long- of huidklachten, en niet op psychische klachten die bij appellante aanwezig zijn.
De Raad stelde vast dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd, mede op basis van geneeskundige adviezen. Hoewel enkele artsen een gunstig effect van balneotherapie op de psychische gesteldheid van appellante meldden, was dit onvoldoende voor medische noodzaak volgens artikel 20 Wuv Pro.
Appellante verwees in beroep naar huidaandoeningen en een dermatoloog die balneotherapie aanbeveelt, maar deze klachten waren niet eerder gemeld en het besluit ging hier niet over. De Raad liet dit punt onbesproken en verklaarde het beroep ongegrond. Appellante kan een nieuwe aanvraag indienen met een toetsing op verband met vervolging.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R. Kooper op 21 februari 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vergoeding van balneotherapiekosten wordt ongegrond verklaard.