ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2105

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-3330 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij per 5 mei 2008 geen recht had op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV baseerde dit op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het deskundigenrapport van W. Eland, een zenuwarts-psychiater, als doorslaggevend beschouwde. Deze deskundige onderschreef het standpunt van het UWV en vond geen noodzaak voor een urenrestrictie.

Appellante stelde in hoger beroep dat haar gezondheid te optimistisch was ingeschat en dat de rechtbank het rapport van een eerdere psychiater, Y. Güzelcan, had moeten volgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht het rapport van Eland volgde, omdat dit rapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was. De Raad vond geen voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van het rapport van Eland.

Verder concludeerde de Raad dat appellante niet als een medische afzakker kon worden beschouwd en dat de arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd waren om te stellen dat haar beperkingen minder dan 35% arbeidsongeschiktheid veroorzaakten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de gronden betreffende de medische beoordeling.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

12/3330 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 mei 2012, 08/3417 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellante is verschenen met bijstand van haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
1. Bij beslissing op bezwaar van 2 september 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 april 2008 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 3 april 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 5 mei 2008 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2008 op minder dan 35% moet worden gesteld. Het bestreden besluit berust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat het Uwv de beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet heeft onderschat. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de conclusie van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige W. Eland,
zenuwarts-psychiater, die in het rapport van 26 april 2011 het standpunt van het Uwv heeft onderschreven. Een urenrestrictie als door appellante bepleit heeft deze deskundige niet noodzakelijk geacht. Uit het rapport van Eland valt niet de conclusie te trekken dat appellante als een zogenoemde medische afzakker dient te worden beschouwd, zodat de functie van magazijnmedewerkster terecht als maatgevende functie is aangemerkt. Ook ontmoeten de door de bezwaararbeidsdeskundige voor appellante geduide functies geen bezwaren bij de deskundige.
3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat haar gezondheid te optimistisch is ingeschat door het Uwv. Appellante is van mening dat de rechtbank de conclusies die voortvloeien uit het rapport van 19 april 2010 van Y. Güzelcan, de door de rechtbank eerder als deskundige ingeschakelde psychiater, had moeten volgen. De rechtbank heeft haar bezwaren tegen het inschakelen van een tweede deskundige ten onrechte niet besproken. Tevens zijn haar bezwaren tegen het rapport van de deskundige Eland ten onrechte onbesproken gebleven. Voorts heeft zij haar in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. In het bijzonder stelt zij dat zij in de functie van archiefmedewerkster te veel zal moeten lezen. Appellante is van mening dat zij per 5 mei 2008 in aanmerking dient te komen voor een
WIA-uitkering.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in vaste rechtspraak van de Raad besloten ligt dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem ingeschakelde onafhankelijke deskundige in beginsel pleegt te volgen, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. Het door Eland uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van het rapport van Güzelcan is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank is, nu zij het rapport van Güzelcan heeft gevolgd en blijkens een nadere vraagstelling aan deze deskundige, klaarblijkelijk en terecht van oordeel dat deze deskundige zijn bevindingen en conclusies, ondanks het feit dat hij daartoe is uitgenodigd door de rechtbank, onvoldoende heeft gericht op de gezondheidstoestand van appellante op de datum die in dit geding van belang is, 5 mei 2008. Appellante heeft geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport van Eland neergelegde zienswijze. Terecht heeft de rechtbank in de rapporten van de deskundigen geen steun gevonden voor de opvatting van appellante dat de bij haar bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid per 5 mei 2008 zijn onderschat.
4.2. Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante niet kan worden beschouwd als een zogenoemde medische afzakker. In de door appellante genoemde omstandigheden is het weliswaar voorstelbaar dat zij ander werk is gaan doen, maar ook in hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt van een objectief medische noodzaak daartoe.
4.3. Daarvan uitgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten, in het bijzonder het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 december 2009, voldoende en inzichtelijk is onderbouwd dat de belasting in de geduide functies, waaronder de functie van archiefmedewerkster, appellantes mogelijkheden niet te boven gaat en het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op minder dan 35% moet worden gesteld.
4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1. tot en met 4.3. vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden wat betreft de medische grondslag, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt