ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2106

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4506 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wajong
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering hervatting Wajong-uitkering wegens geen toegenomen psychische beperkingen

Appellante ontving sinds 1997 een Wajong-uitkering vanwege psychische beperkingen, die in 2005 werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid toen minder dan 25% werd geacht. In 2009 meldde zij zich opnieuw ziek met vermeende toegenomen psychische klachten en verzocht zij om hervatting van de uitkering.

Het UWV weigerde dit, stellende dat er geen sprake was van een toename van beperkingen binnen vijf jaar na de eerdere schatting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, steunend op verzekeringsgeneeskundige rapporten die geen toename van beperkingen vaststelden.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de bewijslast bij het UWV lag. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief gesprekken met artsen en betrokkenheid van de behandelende sector. De conclusie dat geen toename van beperkingen was, werd onderschreven door bezwaarverzekeringsartsen.

Appellante slaagde er niet in twijfel te rechtvaardigen over de juistheid van deze conclusies. Een aanvullend expertiserapport was niet noodzakelijk. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen hervatting van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van toegenomen psychische beperkingen.

Uitspraak

11/4506 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2011, 10/2712 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.J. van der Bij, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
1.1. Met ingang van 2 september 1997 is appellante vanwege haar beperkte psychische belastbaarheid in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 25 april 2005 beëindigd, omdat appellante, ondanks nog aanwezige beperkingen als gevolg van psychische problemen, voor minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante is daarna onder andere gaan werken als medewerker call-centre bij [C].
1.2. Op 11 november 2009 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld met toegenomen psychische klachten en heeft zij het Uwv verzocht haar opnieuw voor een Wajong-uitkering in aanmerking te brengen.
1.3. Bij besluit van 16 maart 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 24 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vier weken onafgebroken toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na een eerdere schatting, zodat er geen aanleiding kan zijn tot hervatting van de Wajong-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de standpunten van de verzekeringsartsen van het Uwv dat een vergelijking van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 maart 2010, waarin de beperkingen van appellante zijn vastgelegd, met de FML van 19 januari 2005 leidt tot het oordeel dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarbij erkennen de verzekeringsartsen dat er sprake is van psychische problemen bij appellante, maar deze leiden niet tot meer beperkingen.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Er heeft geen nadere expertise plaatsgevonden, terwijl volgens appellante de bewijslast omtrent de toename van de beperkingen bij het Uwv ligt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In hoger beroep is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante met toepassing van artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wajong voor een uitkering in aanmerking te brengen. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat in het geval van appellante geen sprake is van een toename van de psychiatrische klachten en beperkingen binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering.
4.2. De Raad kan zich geheel verenigen met wat de rechtbank omtrent de medische beoordeling heeft overwogen en voegt daar in het licht van de gronden in hoger beroep nog het volgende aan toe. Gezien het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij appellante is gezien door en heeft gesproken met verzekeringsarts Bekhof en waarbij informatie van de behandelend sector is betrokken, is op zorgvuldige wijze bezien of van het desbetreffende rapport sprake is van een toename van geobjectiveerde beperkingen. De conclusie luidde dat bij appellante per 11 november 2009 geen sprake was van toegenomen psychische beperkingen ten opzichte van wat is vastgesteld in de FML van 19 januari 2005, welke conclusie bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft onderschreven in de uitgebreid onderbouwde rapporten van 20 juli 2010 en 18 november 2010. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat twijfel gerechtvaardigd is van de juistheid van de conclusie van die rapporten. Gelet op de reeds voorhanden zijnde medische gegevens was een nader uit te brengen expertiserapport niet noodzakelijk.
4.3. De stelling van appellante dat het aan het Uwv is om aan te tonen dat er geen sprake is van toename van de beperkingen en dat het voordeel van de twijfel aan appellante moet worden gegeven als dit niet lukt behoeft, gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen, geen bespreking.
4.4. Uit wat in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en E.J. Govaers en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt