ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke aanstelling wegens onvoldoende functioneren bevestigd
Appellant was tijdelijk aangesteld bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2009. Na een beoordeling van zijn functioneren besloot het college de aanstelling niet te verlengen wegens onvoldoende functioneren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn aanstelling feitelijk een proeftijd betrof en dat hij onvoldoende tijd had gekregen om zich te verbeteren. Tevens stelde hij dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door andere medewerkers wel een proeftijdaanstelling te geven. De Raad oordeelde dat het aanstellingsbesluit duidelijk een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd betrof en dat de vacaturetekst hierover niet beslissend was.
De Raad vond dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn functioneren te verbeteren, zoals blijkt uit de gespreksverslagen waarin hij op tekortkomingen werd gewezen en begeleiding werd aangeboden. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellant eindigt rechtsgeldig wegens onvoldoende functioneren; het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.