ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-1237 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AOW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugwerkende toelating tot vrijwillige AOW-verzekering wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Appellante, geboren in 1955 en sinds 1994 verplicht verzekerd voor de AOW, verzocht bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om met terugwerkende kracht toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering voor de AOW op grond van de inkoopregeling. De Svb wees dit verzoek af omdat appellante zich niet tijdig had aangemeld binnen de wettelijke termijnen van één, vijf of tien jaar.

Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat zij niet op de hoogte was van de regeling en dat de Svb nalatig was in het verstrekken van informatie, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en ook de rechtbank Middelburg wees het beroep af.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante niet aan de aanmeldtermijn had voldaan en dat de overschrijding niet verschoonbaar was. De Raad oordeelde dat het de verantwoordelijkheid van appellante was om zich tijdig te informeren over de sociale zekerheidsregelingen en dat de Svb geen algemene informatieplicht heeft richting immigranten.

De Raad wees ook het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Simon op 22 februari 2013.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot terugwerkende toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering wegens niet-verschoonbare overschrijding van de aanmeldtermijn.

Uitspraak

12/1237 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 januari 2012, 11/811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 22 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Appellante is verschenen bij haar echtgenoot. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, geboren 1 april 1955, woont sinds 25 maart 1994 in Nederland en is vanaf die datum verplicht verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Voordien woonde appellante in de Filippijnse Republiek en was zij niet verzekerd voor de AOW.
1.2. Bij brief van 15 november 2010 heeft appellante de Svb verzocht om op grond van de inkoopregeling met terugwerkende kracht te worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW.
1.3. De Svb heeft bij besluit van 20 januari 2011 aan appellante meegedeeld dat zij niet met terugwerkende kracht kan worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW, omdat zij zich daar niet tijdig voor heeft aangemeld.
1.4. Bij besluit van 18 juli 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2011 onder verwijzing naar artikel 39 van Pro de AOW ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb vastgesteld dat appellante zich niet heeft aangemeld binnen één jaar na aanvang van de verplichte verzekering voor de AOW en ook niet binnen vijf jaar, de uiterste termijn voor aanmelding sinds 1 januari 2001, of tien jaar, de uiterste termijn voor aanmelding sinds 1 januari 2010. Verder is aangegeven dat er in de optiek van de Svb in het onderhavige geval geen sprake is van een te pardonneren overschrijding van de aanmeldtermijn.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat - kort samengevat - zij ten tijde van belang niet op de hoogte was van het bestaan van de inkoopregeling voor de AOW en dat de Svb dermate nalatig is geweest in het verstrekken van informatie over deze regeling dat het verschoonbaar is dat zij haar aanvraag pas na de aanmeldtermijn heeft ingediend. Daarbij heeft appellante er onder meer op gewezen dat de Svb niet tijdig heeft beslist op haar verzoek om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In geding is de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd om appellante in de gelegenheid te stellen om zich over een periode tussen haar 15e verjaardag en de aanvang van haar verplichte verzekering voor de AOW vrijwillig te verzekeren.
4.2. Niet in geding is dat appellante zich niet heeft aangemeld binnen de daarvoor vastgestelde uiterste termijn van, ten tijde van haar aankomst in Nederland, één jaar, dan wel vijf jaar zoals geldt sinds 1 januari 2001, of tien jaar zoals geldt vanaf 1 januari 2010. Daarom kan appellante uitsluitend nog worden toegelaten tot de inkoopregeling voor de AOW indien geoordeeld moet worden dat zij de aanmeldtermijn verschoonbaar heeft overschreden.
4.3. De Raad is evenmin als de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat de overschrijding van de aanmeldtermijn in het onderhavige geval verschoonbaar is. De stelling van appellante dat de Svb dermate te kort is geschoten in het verstrekken van informatie dat de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar is kan de Raad niet volgen. Het was in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van appellante zelf om zich, eventueel met de hulp van derden, bijtijds te oriënteren op de mogelijkheden die het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid biedt. Er bestaat voor de Svb geen algemene plicht om immigranten direct na hun vestiging in Nederland te wijzen op de mogelijkheden die de inkoopregeling biedt.
5. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Svb niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft beslist op het verzoek van appellante om met toepassing van een hardheidsclausule af te wijken van de toepasselijke wettelijke regeling, dat appellante mogelijk een financieel voordeel misloopt doordat zij niet is toegelaten tot de inkoopregeling, en dat appellante te kampen heeft met ernstige gezondheidsproblemen.
De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen grond.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) E. Heemsbergen
GdJ