ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant heeft zich in 2008 ziek gemeld met rugklachten en andere gezondheidsproblemen, waaronder COPD en mentale klachten door de zorg voor zijn gehandicapte dochters. Het UWV heeft in 2010 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn loonverlies minder dan 35% bedroeg en hij geschikt werd geacht voor bepaalde functies.
De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze beoordeling en stelde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) afdoende waren neergelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn en dat hij niet in staat is tot gangbare arbeid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische beoordeling door de verzekeringsartsen juist is en dat de overgelegde medische stukken geen aanwijzingen bevatten dat appellant ernstiger beperkt is dan vastgesteld. Ook acht de Raad de geduide functies medisch geschikt voor appellant. De zorg voor zijn dochters wordt buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van zijn arbeidsvermogen.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.