ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2461

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3949 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 18-jarige leeftijd

Appellant vroeg op 10 december 2009 een Wajong-uitkering aan wegens psychische klachten. Het UWV weigerde de uitkering op grond dat de arbeidsongeschiktheid op 10 mei 1978 minder dan 25% bedroeg. De bezwaarverzekeringsarts had op basis van medische gegevens uit de periode 1977-1978 vastgesteld dat appellant beperkt belastbaar was, maar niet volledig arbeidsongeschikt.

De rechtbank Groningen verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen aanleiding was om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen en de geselecteerde functies passend waren. Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke en sociale beperkingen en verwees naar een rapportage uit 2009.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig had gehandeld. De rapportage uit 2009 had geen betrekking op de situatie rond 1977/1978 en het ontbreken van nadere medische gegevens uit die periode was voor rekening van appellant. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/3949 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
28 juni 2011, 10/860 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013. Namens appellant is verschenen mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. de Jong.
OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Appellant, geboren [in] 1960, heeft op 10 december 2009 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wajong in verband met psychische klachten. In dat verband is hij op 12 januari 2010 door een arts van het Uwv onderzocht. Deze heeft de eerste ziektedag arbitrair vastgesteld rond de 24e verjaardag. Vanaf zijn 18e verjaardag heeft, aldus deze arts, appellant enkele jaren gewerkt en valt hij daarom buiten de Wajong verzekering. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2010 geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.
1.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op 22 april 2010 gesproken op de hoorzitting en informatie opgevraagd bij het ministerie van Defensie en de gemeente Groningen. Keurend arts drs. V.Versteeg heeft op 14 juni 2010 informatie verstrekt over de militaire keuring in 1978 en 1980. De gemeente Groningen heeft een door Aob Compaz uitgebracht rapport overgelegd van een psychodiagnostisch onderzoek op 21 en 28 september 2009 en een medisch arbeidskundige rapportage met betrekking tot de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) van 3 juni 2003. In de rapportage van 6 juli 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellant op zijn 18e verjaardag, [in] 1978, beperkt belastbaar was in verband met gevoeligheid van zijn longen voor stof en rook. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat appellant psychisch gevoelig was voor druk en conflicten. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat het eerste keuringsrapport van de militaire dienstkeuring in 1978 de situatie beschreef vlak voor de 18e verjaardag van appellant. In 1980 werd appellant bij een tweede onderzoek op psychisch gebied beschreven als een asthene, labiele jongeman zonder grove psychopathologie. Appellant werd psychisch in staat geacht de dienstplicht te vervullen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 juli 2010 beperkingen neergelegd die golden op 10 mei 1978. Op basis daarvan heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 21 juli 2010 vastgesteld dat appellant op 10 mei 1978 geschikt was voor de met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies. Het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op minder dan 25%.
1.4. Bij besluit van 22 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv na volledige heroverweging het tegen het besluit van 27 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 10 mei 1978 minder dan 25% was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen grond gezien om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. De rechtbank was verder van oordeel dat het bestreden besluit gezien de functieomschrijvingen en de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige kon worden gebaseerd op de geselecteerde functies.
3. In hoger beroep heeft appellant - opnieuw - gesteld dat ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Appellant heeft verwezen naar de rapportage van Aob Compaz uit 2009, waarin is vermeld dat appellant wellicht op een Wajong-uitkering is aangewezen. Appellant stelt dat de rechtbank een deskundige had dienen te benaderen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd toen hij 49 jaar was. In geding is de vraag of appellant op zijn 17e/18e levensjaar arbeidsongeschikt was.
4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de betrokken bezwaarverzekeringsarts met inachtneming van de beschikbare gegevens de gezondheidstoestand van appellant in de periode 1977-1978 op zorgvuldige wijze beoordeeld.
De Raad ziet op basis van de in hoger beroep - nogmaals - overgelegde rapportage van Aob Compaz uit 2009 geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Deze rapportage is, evenals de keuringsrapporten van de militaire dienstkeuring uit 1978 en 1980, in de bezwaarprocedure al meegewogen door de bezwaarverzekeringsarts. Uit deze gegevens blijkt dat er in 2003 en 2009 sprake was van een beperkte belastbaarheid. De gegevens van Aob Compaz hebben echter geen betrekking op de situatie rond 1977/1978. De omstandigheid dat nadere medische gegevens uit de hier relevante periode ontbreken moet verder, in aanmerking genomen dat appellant zijn aanvraag ruim 30 jaar nadien heeft ingediend, voor zijn rekening en risico blijven. De Raad ziet geen aanleiding om een medische deskundige advies te laten uitbrengen. De Raad tekent daarbij nog aan dat ter zitting namens appellant is verklaard dat uiteindelijk is afgezien van het inbrengen van een reeds in de procedure in eerste aanleg aangekondigde expertise door een door appellant zelf aangezochte psychiater, mede omdat een mogelijke expert zelf had gesteld dat vaststelling van de psychische gesteldheid van appellant een groot aantal jaren na de datum in geding moeilijk zou worden.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat appellant ten tijde van belang buiten staat was tot het, met voldoende duurzaamheid, verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies.
4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) Z. Karekezi
JvC