ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2469

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-6152 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:26 AwbArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek en proceskostenveroordeling wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-zaak

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV over haar arbeidsongeschiktheidsklasse per 7 januari 2008. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Het UWV heeft het bezwaar gegrond verklaard met een nieuw besluit van 11 september 2012, waarmee aan de bezwaren van appellante is voldaan.

De Raad vernietigt de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, omdat het nieuwe besluit het geschil feitelijk oplost. De stelling dat geen uitlooptermijn is gehanteerd, is niet relevant voor dit nieuwe besluit en kan niet worden betrokken in het hoger beroep.

De Raad constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden, gezien de totale duur van ruim vijf jaar. Daarom wordt het onderzoek heropend om nader te beslissen over het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens deze overschrijding. De Staat der Nederlanden wordt als partij toegevoegd.

Verder veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante in hoger beroep, begroot op € 2.357,15, en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Verzoeken tot vergoeding van reis- en verblijfkosten in beroep worden niet gehonoreerd omdat deze buiten de omvang van het geding vallen.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend voor schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

10/6152 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2010, 08/3309 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.
Bij tussenuitspraak van 8 augustus 2012, 10/6152 WAO-T, heeft de Raad het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van 14 augustus 2008 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Het Uwv heeft bij besluit van 11 september 2012 het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2007 gegrond verklaard en appellante per 7 januari 2008 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Appellante heeft te kennen gegeven zich niet geheel met dit besluit (van 11 september 2012) te kunnen verenigen. Verder heeft hij de Raad verzocht om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten en de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het Uwv heeft daarop gereageerd.
De Raad heeft de verdere behandeling verwezen naar de enkelvoudige kamer en bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Voor de feiten en het procesverloop verwijst de Raad naar voormelde tussenuitspraak.
2. Het geschil tussen partijen betrof de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum 7 januari 2008. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dit (vernietigde) besluit in stand gelaten.
3.1. Nu het Uwv het bestreden besluit, zoals blijkt uit het nadere besluit van 11 september 2012, niet langer handhaaft, is er aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten, te vernietigen.
3.2. Met het nadere besluit van 11 september 2012 is geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen. De stelling van appellante dat door het Uwv geen uitlooptermijn is gehanteerd, gaat buiten dit besluit om. Het besluit van 11 september 2012 kan derhalve niet met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.
3.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.
3.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 3.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
3.5. Voor het voorliggend geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2007 door het Uwv op 7 december 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim twee maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim acht maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 29 juli 2008 tot de uitspraak van 4 oktober 2010 twee jaar en ruim twee maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 15 november 2010 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en ruim drie maanden geduurd. Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.
3.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van Pro de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
3.7. Er zijn termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.416, - voor verleende rechtsbijstand, op € 38,40 aan reiskosten en op € 75,70 aan verblijfkosten in hoger beroep, zijnde twee dagen de maximale dagvergoeding ad € 37,85 in verband met het bijwonen van de zitting. De kosten van het arbeidsgeneeskundig onderzoek van appellante in hoger beroep door Ergatis ten bedrage van € 827,05 komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag is derhalve € 2.357,15.
3.8. Appellante heeft de Raad ook verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de reis- en verblijfkosten in beroep. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien te komen tot een proceskostenveroordeling in verband met die kosten. De bewoordingen van het beroepschrift van 28 december 2010 laten geen andere conclusie toe dan dat het hoger beroep niet ziet op de (impliciete) afwijzing van de vergoeding van die kosten bij de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de gemachtigde van appellante met het verzoek om vergoeding van die kosten bij brief van 11 oktober 2012 buiten de omvang van het geding is getreden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten;
-bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 13/464 BESLU en 13/465 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;
-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.357,15;
-bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) P. Boer
JvC