ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3448

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-7004 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Ziektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd

Appellante was sinds oktober 2007 arbeidsongeschikt verklaard vanwege rugklachten en ontving vanaf oktober 2009 geen WIA-uitkering omdat zij werd geacht minder dan 35% arbeidsongeschikt te zijn. Op 6 april 2010 meldde zij zich ziek vanuit een WW-uitkering en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend.

Het UWV beëindigde de Ziektewetuitkering per 23 oktober 2010 na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts die concludeerden dat appellante niet langer ongeschikt was voor werk. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het UWV en later ook door de rechtbank Rotterdam.

Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte een medisch stuk niet in ontvangst had genomen, maar de Raad oordeelde dat dit stuk te laat was ingediend en dat de rechtbank daarmee niet in strijd handelde met de procesorde. Er waren geen nieuwe medische gegevens die de eerdere bevindingen ondermijnden. Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens voldoende zorgvuldige medische beoordeling.

Uitspraak

11/7004 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 oktober 2011, 11/416 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 6 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.M. Iwema, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Namens appellante is verschenen mr. Iwema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
OVERWEGINGEN
1. Appellante, die in oktober 2007 wegens onder meer rugklachten arbeidsongeschikt is geworden, is met ingang van 23 oktober 2009, aansluitend aan de wachttijd van 104 weken, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij werd destijds in staat geacht in passende functies een zodanig inkomen te verdienen dat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.1. Appellante heeft zich op 6 april 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
2. Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 23 oktober 2010 beëindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2010 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
5. Appellante heeft, onder herhaling van hetgeen in beroep is aangevoerd, gesteld dat de rechtbank ten onrechte een ter zitting van 15 september 2011 aangeboden stuk heeft geweigerd in ontvangst te nemen en daarbij opgemerkt dat de gemachtigde van het Uwv zich bereid zou hebben verklaard op dat stuk nader schriftelijk door de bezwaarverzekeringsarts te laten reageren.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. De gemachtigde van appelante heeft met de inbreng van vorenbedoeld stuk niet de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven termijn in acht genomen. Dat de rechtbank heeft geweigerd voormeld stuk in ontvangst te nemen en dus niet heeft besloten tot schorsing dan wel heropening van het onderzoek, is niet in strijd met een goede procesorde. Gelet op de datum van het betreffende stuk had de gemachtigde van appellante dit stuk, dat hij in hoger beroep niet heeft overgelegd en waarover hij volgens zijn verklaring ter zitting niet meer beschikt, veel eerder bij de rechtbank kunnen inbrengen. Verder heeft de gemachtigde van appellante de betreffende verklaring ter zitting van de rechtbank voorgelezen en daaromtrent blijkens het proces-verbaal van die zitting verklaard dat hij daarmee voldoende heeft weten aan te tonen dat een deskundige had moeten worden ingeschakeld.
6.2. De verzekeringsarts heeft bij onderzoek op 19 oktober 2010 geconstateerd dat appellante in dezelfde medische toestand verkeerde als beschreven in 2009, toen de beoordeling in het kader van de Wet WIA plaatsvond. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na kennisneming van de door de huisarts geleverde gegevens, eveneens het standpunt ingenomen dat evidente veranderingen in het medische toestandsbeeld sinds 2009 niet werden geobjectiveerd.
Het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts heeft met voldoende zorgvuldigheid plaatsgevonden. Namens appellante zijn geen medische stukken ingebracht die twijfel doen rijzen aan de medische bevindingen van deze verzekeringsartsen. Op grond van deze bevindingen is appellante terecht niet langer ongeschikt geacht om één van de in het kader van WIA-beoordeling geselecteerde functies te vervullen en wel, zoals in een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2013 is uiteengezet, in een volledige werkweek. Er zijn mitsdien ook geen gronden om een nader medisch onderzoek te laten instellen.
6.3. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D.E.P.M. Bary
JvC