Art. 4 Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekteArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 5 Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012Art. 6 BbpArt. 8 Bbp
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening inschaling ambtenaar wegens onjuiste weging WAO-uitkering en ervaring
Appellante, sinds 1989 werkzaam bij de politie, werd in 2010 herplaatst in een lagere salarisschaal (schaal 4, trede 1) vanwege haar arbeidsongeschiktheid en WAO-uitkering. De korpschef baseerde de inschaling uitsluitend op de hoogte van haar WAO-uitkering, met als doel het bruto inkomen gelijk te houden. De bezwaaradviescommissie en rechtbank onderschreven deze redenering.
In hoger beroep stelde appellante dat haar jarenlange ervaring en kwaliteiten onvoldoende zijn meegewogen en dat de inschaling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. De Raad oordeelt dat de korpschef een onjuist criterium heeft gehanteerd door de WAO-uitkering als basis te nemen en dat uitsluitend relevante arbeidsgegevens zoals opleiding en ervaring meegewogen moeten worden.
De Raad constateert dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inschaling niet gebaseerd was op de arbeidsongeschiktheid. Ook de door de korpschef aangevoerde redenen als beperkte belastbaarheid en gebrek aan administratieve ervaring zijn onvoldoende onderbouwd. De Raad beveelt herstel van het besluit en een herbeoordeling van de salarisanciënniteit op basis van werkervaring en kwaliteiten.
Het bestreden besluit voldoet niet aan de motiveringsvereisten van de Algemene wet bestuursrecht en wordt vernietigd. De korpschef wordt opgedragen binnen zes weken het gebrek te herstellen en een nieuw besluit te nemen dat recht doet aan de relevante criteria.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de korpschef wordt opgedragen het besluit te herstellen met inachtneming van werkervaring en kwaliteiten.
Uitspraak
11/6474 AW-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
23 september 2011, 10/4562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden, thans de korpschef van politie (korpschef)
Datum uitspraak 7 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W. de Klein hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 5 vanPro de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.
2.1. Appellante is sinds 1989 werkzaam bij de politie. Met ingang van 13 mei 2002 is zij bij de politieregio Gelderland-Midden aangesteld in de functie van medewerker meldkamer A, laatstelijk met een betrekkingsomvang van 20 uur per week en een bezoldiging naar schaal 7, trede 14.
2.2. Naast haar bezoldiging ontvangt appellante reeds geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 28 december 2009 is deze uitkering met ingang van 1 maart 2010 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hierbij hoort een uitkeringspercentage van 42%.
2.3. Bij besluit van 10 juni 2010 is appellante met ingang van 1 juli 2010 voor 20 uur per week herplaatst in de functie van administratief medewerker op het Project Burgernet. Daarbij is haar salarisschaal gewijzigd in schaal 4, trede 1. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 november 2010 (bestreden besluit).
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak haar in eerste aanleg naar voren gebrachte beroepsgronden herhaald. Zij heeft gesteld dat artikel 8, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) zich verzet tegen inschaling op trede 1 van schaal 4. Bovendien zou bij haar inschaling in schaal 4, trede 1, ten onrechte geen rekening zijn gehouden met haar jarenlange ervaring met administratieve werkzaamheden. Er is daarom sprake van verboden onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 4, aanhef en onder e, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. In artikel 8 vanPro het Bbp is het volgende bepaald:
1. Bij de aanstelling wordt het salaris vastgesteld op het minimum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal (…)
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
Anders dan appellante heeft gesteld, kan uit artikel 8, eerste lid, van het Bbp niet worden afgeleid dat appellante, nu zij reeds in 2002 bij de politieregio is aangesteld, bij herplaatsing in een andere functie met een lagere salarisschaal niet opnieuw op (vrijwel) het minimum van die lagere salarisschaal mag worden ingeschaald. Uit artikel 6, vijfde en zesde lid van het Bbp blijkt dat juist voor de situatie van appellante, die in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte herplaatst werd, bij wijze van uitzondering is bepaald dat wel een salarisschaal mag gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor de ambtenaar geldende salarisschaal. Inschaling kan dus op de laagste trede plaatsvinden, tenzij er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8, tweede lid, van het Bbp een hoger salaris toe te kennen
5.2. Wat betreft de stelling van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar jarenlange ervaring met administratieve werkzaamheden wordt als volgt geoordeeld.
5.2.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de korpschef zijn beslissing om appellante in te schalen in schaal 4, trede 1, uitsluitend heeft gebaseerd op de hoogte van de WAO-uitkering die appellante ontving. De schaalindeling is blijkens het primaire besluit van 10 juni 2011 zodanig gekozen dat appellante er, wanneer bezoldiging voor 20 uren en WAO-uitkering tezamen worden genomen, ongeveer op hetzelfde bruto inkomen uitkwam als zij voorheen ontving aan salaris voor 20 uren werken op niveau schaal 7, trede 14. Inschaling op een hogere trede is destijds niet overwogen omdat, zoals tijdens de hoorzitting van de bezwaaradviescommissie namens de korpschef is verklaard, de salarisanciënniteit en de WAO-uitkering communicerende vaten zijn, en het niet zo kan zijn dat de medewerker ten gevolge van arbeidsongeschiktheid financieel in een betere positie raakt. In het advies van de bezwaaradviescommissie, dat bij het bestreden besluit is gevolgd, wordt over de ervaring van appellante slechts gesteld, dat de commissie in de regelgeving geen steun vindt voor de opvatting van bezwaarde dat haar ervaringsjaren aanleiding zouden moeten zijn voor een hogere schaalindeling. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de reden om appellante in te delen in schaal 4, trede 1, niet is gelegen in haar medische arbeidsongeschiktheid, maar in het feit dat zij geen ervaring heeft in een administratieve functie.
5.2.2. De Raad is van oordeel dat de korpschef, door de inschaling van appellante te baseren op de hoogte van haar WAO-uitkering, een onjuist criterium voor de inschaling heeft gehanteerd, en dat - anders dan de rechtbank heeft overwogen - mogelijk sprake is van verboden onderscheid bij arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 4, aanhef en onder e, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Bij een inschaling, ook in een situatie als die van appellante, behoort immers uitsluitend acht te worden geslagen op gegevens die in direct verband staan tot de te verrichten arbeid, zoals opleiding, werkervaring en gebleken kwaliteiten. Of appellante als gevolg van de inschaling, in combinatie met haar WAO-uitkering, er financieel op vooruit zou gaan is daarbij niet van belang. Hierbij wordt opgemerkt dat de WAO de mogelijkheid kent van neerwaartse aanpassing van de WAO-uitkering, indien de uitkeringsgerechtigde hogere inkomsten uit arbeid gaat genieten.
5.2.3. Namens de korpschef is ter zitting van de rechtbank en van de Raad nog verklaard, dat de belastbaarheid van appellante beperkt was, dat bewust voor een rustige functie was gekozen, en dat het appellante aan administratieve ervaring ontbrak, zodat inschaling in schaal 4, trede 1, ook om die redenen gerechtvaardigd was. Het gaat daarbij echter om stellingen die niet nader zijn onderbouwd en die pas achteraf lijken te zijn aangevoerd om de bestreden inschaling te rechtvaardigen. De beperkte belastbaarheid is mede de reden geweest om appellante op deze administratieve functie te plaatsen in plaats van de zwaardere, executieve functie die zij daarvoor bekleedde, en om haar aanstelling tot 20 uur per week te beperken. De korpschef heeft niet aannemelijk gemaakt, dat die beperkte belastbaarheid daarnaast ook nog tot uitdrukking moest worden gebracht in een lage salarisanciënniteit. Ook het gegeven dat het een rustige functie betreft - hetgeen appellante overigens ter zitting met allerlei voorbeelden van activiteiten van het Project Burgernet heeft weersproken - vormt nog geen grond om een lage salarisanciënniteit toe te kennen. Wat de vereiste administratieve ervaring betreft heeft appellante aangevoerd dat zij weliswaar geen ervaring heeft in louter administratieve functies, maar dat zij in verschillende functies, onder meer als misdaadanaliste, veelvuldig administratieve werkzaamheden heeft verricht. Daarbij komt dat zij ten tijde van het primaire besluit reeds enige tijd in de functie van administratief medewerker werkzaam was, zodat haar inmiddels gebleken kwaliteiten mede bij de inschaling hadden kunnen worden betrokken. Het komt de Raad voor, dat de ervaring en gebleken kwaliteiten van appellante mogelijk tot een hogere salarisanciënniteit hadden geleid, indien deze elementen bij de aanstelling in deze functie daadwerkelijk waren meegewogen.
5.3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en daarom in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in de einduitspraak zullen worden vernietigd.
5.4. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de korpschef op te dragen het in 5.2.2 en 5.2.3 genoemde gebrek in het besluit van 11 november 2010 te herstellen. De korpschef dient nader te bezien of de werkervaring en gebleken kwaliteiten van appellante reden vormen voor toekenning van een hogere salarisanciënniteit.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt de korpschef op om binnen zes weken na toezending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2013.