ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3521

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-5483 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim bij successieaangifte ambtenaar Belastingdienst

Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, gaf in 2009 als executeur van de nalatenschap van zijn vader de WOZ-waarde van een woning op in de successieaangifte, terwijl hij wist of had moeten weten dat deze waarde niet overeenkwam met de waarde in het economisch verkeer op het moment van overlijden.

De inspecteur stelde de waarde hoger vast dan de opgegeven WOZ-waarde, waarna appellant in bezwaar ging maar uiteindelijk berustte in een aangepaste waarde. De minister stelde dat appellant zich schuldig had gemaakt aan plichtsverzuim door niet te handelen zoals een goed ambtenaar betaamt, en legde hem disciplinaire maatregelen op, waaronder ontheffing uit zijn functie en salarisverlaging.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant verantwoordelijk is voor de juistheid van zijn aangifte en dat de opgelegde straffen niet onevenredig zijn gezien zijn voorbeeldfunctie en de ernst van het plichtsverzuim.

De Raad wees verder op het belang van integriteit binnen de Belastingdienst en verwierp het verweer dat appellant mocht vertrouwen op het advies van de notaris of dat de WOZ-waarde als juiste waarde kon worden opgegeven. De publicatie van de straf op het intranet werd betreurd maar deed niet af aan de rechtmatigheid van de straf.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de disciplinaire straf wegens plichtsverzuim en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

11/5483 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 16 augustus 2011, 11/2449 en 11/2450 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Datum uitspraak 7 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam bij de Belastingdienst. Sinds 1 november 2008 vervulde hij de functie van lid van het [team] van de eenheid [naam eenheid], aan welke functie salarisschaal 16 is verbonden.
1.2. Na het overlijden van de moeder van appellant [in] 2008 heeft diens vader aangifte gedaan voor het recht van successie. De aangifte is verzorgd door een notariskantoor R&S (notaris). Als waarde van de echtelijke woning te [naam gemeente] (woning) is een bedrag van € 616.000,- opgegeven. Dat is de waarde op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ-waarde) voor het jaar 2008 met als peildatum 1 januari 2007. De inspecteur van de Belastingdienst is bij de aanslag van het opgegeven bedrag uitgegaan.
1.3. [In] 2008 is de vader van appellant overleden. Appellant en zijn zus hebben de woning voor een vraagprijs van € 945.000,- te koop gezet. Appellant heeft op 20 oktober 2009 in zijn hoedanigheid van executeur aangifte gedaan van het recht van successie ter zake van de nalatenschap van zijn vader. Daarbij is hij bijgestaan en geadviseerd door de notaris. Als waarde van de woning op 27 december 2008 is ook nu een bedrag van € 616.000,- opgegeven.
1.4. Op verzoek van de inspecteur heeft een taxateur van de Belastingdienst de waarde van de woning in het economisch verkeer vastgesteld. Die waarde is per 27 december 2008 geschat op € 835.000,-. Op grond daarvan heeft de inspecteur de notaris bericht dat hij van plan is bij het opleggen van de aanslag af te wijken van de aangifte en hem de gelegenheid geboden de aangegeven waarde toe te lichten. Overleg tussen de inspecteur en de makelaar van appellant heeft niet geleid tot overeenstemming, waarna de inspecteur een aanslag successierecht heeft opgelegd uitgaande van een waarde van € 835.000,-. In bezwaar heeft appellant primair vastgehouden aan de opgegeven waarde en subsidiair het standpunt ingenomen dat de waarde moet worden vastgesteld op € 705.000,-, het bedrag waarop zijn makelaar de woning had getaxeerd. Na bezwaar is de inspecteur uitgegaan van een waarde van € 805.000,-. Daarin heeft appellant berust.
1.5. De minister heeft appellant in juli 2010 kenbaar gemaakt dat hij het vermoeden heeft dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door zich in strijd met artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement niet te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De aan appellant verweten gedraging is dat hij wist dan wel kon weten dat de waarde in het economisch verkeer van de woning op het moment van overlijden van zijn vader niet gelijk was aan de WOZ-waarde, waarbij van belang is geacht dat appellant betrokken is geweest bij de bepaling van de vraagprijs van de woning en het verschil tussen de opgegeven waarde en de vraagprijs op dat moment € 329.000,- bedroeg.
1.6. Nadat appellant zich schriftelijk had verantwoord, heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt om appellant de straf op te leggen van ontheffing uit zijn functie van lid van het [team] van de [afdeling], plaatsing in een individuele technische functie op het niveau van schaal 15 en verlaging van zijn salaris van het maximum van schaal 16 naar het maximum van schaal 15. Partijen hebben na de zienswijze van appellant fiscaal advies ingewonnen. Bij besluit van 14 februari 2011 heeft de minister de in zijn voornemen aangekondigde straffen opgelegd. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2011 (bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden betwist.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Aan appellant is verweten dat hij wist dan wel kon weten dat de waarde in het economisch verkeer van het pand in de successieaangifte moest worden opgegeven, en dat hij wist dan wel kon weten dat de waarde in het economisch verkeer op het moment van het overlijden niet gelijk was aan de opgegeven waarde.
4.2. In de toelichting bij het aangifteformulier staat onder andere dat men voor de eigen woning niet kan uitgaan van de WOZ-waarde. De WOZ-waarde wordt namelijk op een peildatum op basis van de Wet WOZ vastgesteld door de gemeente en niet op de overlijdensdatum. De WOZ-waarde is mede daarom niet van toepassing op de heffing van het recht van successie. Ook is vermeld dat de waarde van de woning in de praktijk kan worden bepaald aan de hand van de verkoopprijs van soortgelijke woningen die kortgeleden in de buurt zijn verkocht. Als onbekend is wat de verkoopprijs is, is het verstandig de woning te laten taxeren.
4.3. Vaststaat dat appellant in weerwil van de toelichting de WOZ-waarde met als peildatum 1 januari 2007 als de waarde in het economisch verkeer op 27 december 2008 heeft opgegeven. Appellant kon er op dat moment dus mee bekend zijn dat de waarde die hij opgaf niet de op te geven waarde in het economische verkeer was. De gedingstukken bieden geen steun voor de stelling van appellant dat het in 2009 al bestaande en geaccepteerde praktijk was om - in afwijking van de toelichting - de WOZ-waarde aan te geven. Dat met ingang van het belastingjaar 2010 de WOZ-waarde wèl als de waarde in het economisch verkeer geldt, baat appellant niet, omdat voor de door hem gedane aangifte de datum 27 december 2008 bepalend is.
4.4. Het betoog van appellant dat hij met zijn opgave handelde in overeenstemming met het advies van de notaris en geen reden had om te twijfelen aan de juistheid daarvan, ziet eraan voorbij dat appellant als belastingplichtige zelf verantwoordelijk is en blijft voor de juistheid van de aangifte. Gezien de duidelijke en eenduidige toelichting bij het aangifteformulier kon appellant er niet voetstoots van uitgaan dat zijn aangifte juist was. De discrepantie tussen de toelichting en het advies van de notaris had voor appellant aanleiding behoren te zijn zich, bijvoorbeeld door de Belastingdienst, te laten informeren over de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de woning en om de woning eventueel te laten taxeren. Dat appellant ten tijde van de aangifte een moeilijke tijd doormaakte, ontsloeg hem niet van die (eigen) verantwoordelijkheid. Dat de inspecteur de aangifte ter zake van de nalatenschap van zijn moeder niet heeft gecorrigeerd, betekent niet dat de inspecteur akkoord ging met het opgeven van de WOZ-waarde. Aan dit gegeven kon appellant evenmin een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het door hem opgegeven bedrag het juiste was. De stellingen van appellant dat hij niet hoefde te twijfelen aan het advies van de notaris en een pleitbaar standpunt heeft ingenomen over de waarde van de woning, zijn slechts van belang voor de vraag of de inspecteur hem een vergrijpboete had kunnen opleggen, maar niet voor hier aan de orde zijnde vraag of appellant plichtsverzuim kan worden verweten.
4.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat appellant terecht is verweten dat hij in de aangifte successierecht de WOZ-waarde heeft opgegeven, terwijl hij wist dan wel kon weten dat de waarde in het economisch verkeer op de datum van het overlijden van zijn vader niet gelijk was aan de aangegeven WOZ-waarde. Nu appellant zich aldus niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt en zich zo heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, was de staatssecretaris bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen.
4.6. Wat betreft de evenredigheid van de opgelegde straffen stelt de Raad voorop dat de staatssecretaris terecht hoge eisen stelt aan ambtenaren van de Belastingdienst wat betreft hun integriteit, in het bijzonder wat betreft het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Het is niet onredelijk dat de staatssecretaris, mede met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de Belastingdienst, deze hoge eisen eveneens stelt aan ambtenaren van de dienst die, zoals appellant, geen specifiek fiscale functie bekleden (CRvB 29 november 2007, LJN BC0487 en CRvB 5 januari 2012, LJN BV1561). Gemeten aan deze hoge eisen zijn de opgelegde straffen niet onevenredig te achten aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant als leidinggevende bij een dienst die zich onder meer bezighoudt met het opsporen van fiscale fraude een voorbeeldfunctie vervulde en mede tot taak had erop toe te zien dat zijn medewerkers zich hielden aan de verplichtingen die hij zelf in dit geval juist heeft geschonden. De lange en goede staat van dienst van appellant en het feit dat de salarisverlaging grote financiële gevolgen voor hem heeft, maken dat niet anders. Van de zijde van de staatssecretaris is ter zitting de publicatie van de straf van appellant op het intranet van de [afdeling] met zijn foto en naam erbij betreurd en verklaard dat publicatie op deze wijze in strijd was met het op dit punt gevoerde beleid. Die publicatie en de nadelige gevolgen die appellant daarvan heeft ondervonden leiden echter niet tot een ander oordeel over de evenredigheid van de opgelegde straffen.
4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) B. Rikhof
HD