11/6098 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 september 2011, 10/4808 (aangevallen uitspraak)
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
De heer [naam echtgenoot] is hangende het hoger beroep (op 30 juni 2012) overleden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.
1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 21 mei 2010 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij, ter voldoening van de nog openstaande vordering uit hoofde van teveel betaalde nabestaandenuitkering, met ingang van juni 2010 maandelijks € 354,20 aan de Svb dient te betalen.
1.3. In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat bij de vaststelling van het maandelijks te betalen bedrag geen rekening is gehouden met jaarlijkse kosten. Appellante achtte zich in staat tot betaling van een bedrag van maximaal € 200,00 per maand.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het namens appellante ingediende bezwaar tegen het bij 1.2 vermelde besluit ongegrond verklaard. De aangevoerde kosten zijn niet als bijzonder aan te merken, zodat de individuele beslagvrije voet niet kan worden verhoogd.
2.1. In de aangevallen uitspraak strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep heeft de rechtbank overwogen dat de Svb in een brief van 4 mei 2011 uiteengezet heeft dat de vordering op appellante is ontstaan doordat appellante en haar partner niet hebben gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren, waardoor de partner in de visie van de Svb mede aansprakelijk is voor de schuld. Verder zijn appellante en haar partner op 28 juli 2008 in het huwelijk getreden, waardoor de schuld in de huwelijksgemeenschap valt.
2.2. De rechtbank is van oordeel dat de Svb op goede gronden het inkomen van de partner van appellante heeft betrokken in de berekening van de aflossingscapaciteit van appellante. Het besluit tot terugvordering, en daarmee het ontstaan van de schuld, is immers genomen op 2 oktober 2008, nadat het huwelijk tussen appellante en haar partner was voltrokken. De rechtbank merkt hierbij op dat het besluit van 29 januari 2008 waarnaar appellante heeft verwezen, - uitsluitend - betrekking heeft op de beëindiging van de Anw-uitkering en niet op de terugvordering.
2.3. Ten aanzien van de door appellante aangevoerde extra kosten is de rechtbank van oordeel dat de Svb daarmee, voor zover mogelijk, rekening gehouden heeft. De door appellante genoemde extra kosten in verband met verblijf in Spanje kunnen niet bij de beslagvrije voet worden betrokken, omdat deze kosten niet als noodzakelijke extra kosten kunnen worden aangemerkt. De rechtbank merkte daarbij op dat weliswaar begrijpelijk is dat de partner van appellante in verband met zijn medische klachten in Spanje wilde verblijven, maar dat geen verklaring in het geding is gebracht dat daarvoor een strikt medische noodzaak bestond.
3. In hoger beroep heeft appellant haar standpunt herhaald dat zij niet in staat is het door de Svb vastgestelde bedrag per maand terug te betalen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering tot en met 30 september 2005. Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft de Svb beslist dat appellante een bedrag van € 29.761,73 aan te veel betaalde nabestaandenuitkering over de periode van oktober 2005 tot en met januari 2008 dient terug te betalen. Deze besluiten staan in rechte vast.
4.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de aflossingscapaciteit van appellante correct is vastgesteld. Ter bepaling van de aflossingscapaciteit van appellante heeft de Svb toepassing gegeven aan het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW (Besluit). Op grond van de resultaten van het door de Svb verrichte inkomensonderzoek naar de financiële draagkracht van appellante is een aflossingscapaciteit berekend van € 354,20 per maand. Bij de bepaling van de beslagvrije voet heeft de Svb rekening gehouden met de relevante financiële lasten. Er zijn ook in hoger beroep geen
- medische - verklaringen in het geding gebracht waardoor de noodzaak tot een andere berekening van het invorderingsbedrag is aangetoond.
4.3. Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.4. Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat de Svb ter zitting heeft opgemerkt dat hij ambtshalve in 2013 zal beoordelen of toepassing kan worden gegeven aan artikel 5, zesde lid van het Besluit, waardoor zal worden afgezien van verdere terugvordering indien appellante gedurende vijf jaar volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.