ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster, meldde zich in juni 2008 arbeidsongeschikt wegens klachten aan haar rechterschouder. Het UWV stelde bij besluit van 27 mei 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. Dit besluit werd bij bezwaar van 27 oktober 2010 gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank verwierp appellantes stelling dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om bepaalde functies te vervullen, mede gelet op haar communicatieve vaardigheden en werkervaring in Nederland.
In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren tegen de medische en arbeidskundige grondslagen, maar kon deze niet met objectieve medische gegevens onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd binnen het bereik van appellante liggen, ook wat betreft fysieke belasting en taalvaardigheid.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waardoor appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.