ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3678

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3626 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek bij herziening WAO-uitkering

Appellant ontving sinds 2002 een WAO-uitkering die in 2007 werd verhoogd vanwege toegenomen klachten. Na een herbeoordeling in 2009 concludeerde de verzekeringsarts dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is, maar wel beperkingen heeft. De arbeidsdeskundige stelde dat appellant geschikt is voor enkele andere functies, waarop het UWV de uitkering herzag.

Appellant maakte bezwaar en bracht aanvullende medische documenten in, waaronder notities van huisarts en fysio-manueeltherapeut, waarin zijn klachten werden bevestigd. De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige handhaafden het oordeel dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de klachten adequaat waren meegewogen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, stellende dat de aanvullende medische stukken geen nieuwe objectieve onderbouwing boden voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad concludeerde dat appellant niet volledig buiten staat is tot productieve arbeid en dat het UWV terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

11/3626 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van
16 mei 2011, 10/3889 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van
27 september 2011 heeft mr. Witlox een handgeschreven notitie van 27 juli 2011 van de huisarts overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 januari 2013 heeft appellant nog een brief van 14 januari 2013 van de
fysio-manueeltharapeut D. Krijnen overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Namens appellant is verschenen mr. Witlox. Het Uwv was vertegenwoordigd door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving sinds 12 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege linkerschouderklachten na een fietsongeval, is met ingang van 5 maart 2007 de WAO-uitkering opgehoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 29 juni 2009 lichamelijk en psychisch onderzocht door de verzekeringsarts R. Bonneur. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat appellant onveranderd forse psychische klachten aangeeft als gevolg van meerdere ingrijpende life-events vanaf 2001. De verzekeringsarts heeft daarbij opgemerkt dat bij eerdere WAO-beoordelingen zeer zware psychische beperkingen zijn aangenomen zonder onderliggende psychiatrische diagnose, terwijl appellant nauwelijks herstelgedrag heeft vertoond. Ten aanzien van de rugklachten heeft de verzekeringsarts informatie van de huisarts betrokken waarin deze aangeeft dat bij appellant sprake is van discopathie op L5-S1 met bulging. Wat betreft de linkerbeenklachten heeft de verzekeringsarts aangegeven dat uit zijn onderzoek in juni 2009 niet gebleken is van een radiculair syndroom. Appellant is door de neuroloog verwezen naar Mensendieck-oefentherapie, waarvan appellant ook informatie van 5 februari 2009 heeft ingebracht, welke is meegewogen bij de medische beoordeling. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant niet voldoet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. Evenmin voldoet appellant aan de criteria voor een verminderde arbeidsduur. De verzekeringsarts is van mening dat er een verminderde belastbaarheid is ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van rug- en schouderklachten en psychische klachten. De door hem van toepassing geachte beperkingen heeft hij vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 november 2009. Vervolgens is de arbeidsdeskundige M. Meyer in zijn rapport van 3 december 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 55,12%. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 augustus 2010 herzien naar de klasse
55 tot 65%.
2. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts A. Deitz dossierstudie verricht en bij appellant een medisch onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft tevens kennis genomen van de door appellant overgelegde informatie van de huisarts P.A.J.M. Emmers, een rapport van Argonaut Advies B.V. van 16 maart 2009 inzake een verzochte voorziening voor fysiotherapie alsmede een brief van 18 juni 2010 van Oefentherapie Mensendieck. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van
8 juli 2010 geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het primaire oordeel. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij zijn rapport van 27 oktober 2010 één functie niet geschikt geacht wegens het opleidingsniveau. Er resteren echter nog drie geschikte functies op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsklasse niet wijzigt. Bij besluit van 4 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2010 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat er een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht bestaande uit dossieronderzoek, anamnese, uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek, met meeweging van informatie van de behandelend sector. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant psychische klachten heeft vanwege diverse gebeurtenissen in zijn leven, onder meer door een overval tijdens zijn werkzaamheden als hotelbeheerder, gevolgd door een ontslag uit zijn dienstverband, resulterend in financiële problemen. Voorts spelen er huwelijksproblemen waarbij er sprake is van een geschil over een omgangsregeling ten aanzien van zijn dochter. Ook de klachten van de linkerschouder, de rug en het linkerbeen zijn volgens de rechtbank voldoende meegenomen in de FML van
13 november 2009. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is deel te nemen aan het arbeidsproces en dus evenmin in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is, heeft appellant bij brief van 27 september 2011 een handgeschreven notitie van 26 juli 2011 van de huisarts overgelegd. In deze brief geeft de huisarts aan dat appellant bekend is met een discopathie op L4-S1, met nek- en schouderklachten alsmede psychische klachten op grond waarvan appellant niet in staat is tot productieve arbeid. Bij brief van 16 januari 2013 heeft appellant voorts nog een brief van 14 januari 2013 de fysio-manueeltherapeut Krijnen overgelegd, waarin deze aangeeft dat appellant wordt behandeld in verband met recidiverende rugklachten met irridatie naar de linkerbil/het dijbeen op basis van discusdegeneratie/discopathie op niveau L5-S1 waarbij psychische componenten het beeld versterken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat er een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de beschikbare onderzoeksgegevens geen aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit.
5.2. De door appellant in hoger beroep ingezonden medische en andere gegevens geven geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De handgeschreven notitie van 26 juli 2011 van de huisarts bevat een opsomming van reeds bekende klachten, die alle door de (bezwaar)verzekeringsarts in de medische beoordeling zijn meegewogen. Deze enkele opsomming van klachten kan niet dienen als een toereikende objectief medische onderbouwing voor de conclusie dat appellant ernstiger beperkt is dan aangenomen en zelfs geheel buiten staat zou zijn tot het verrichten van productieve arbeid. Evenmin kan de brief van de fysio-manueeltherapeut van 14 januari 2013 dienen als een objectief medische onderbouwing voor het standpunt van appellant. Ook hierin worden slechts bekende klachten beschreven waarmee al rekening is gehouden in de beoordeling. Ten aanzien van de psychische problematiek heeft appellant in hoger beroep in het geheel geen gegevens ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij ook op dat gebied meer beperkt is dan in de FML van 13 november 2009 is aangenomen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
TM