ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3684

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3281 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak

Appellante ontvangt sinds 22 februari 2007 een WAO-uitkering vanwege beperkingen door elleboog-, rug- en knieklachten en hypertensie. Per 1 juli 2009 meldt zij een toename van arbeidsongeschiktheid door het slaapapneusyndroom. Het UWV weigert de uitkering te verhogen omdat de toename niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de bestaande uitkering, conform artikel 39a WAO.

De rechtbank oordeelde dat de toename van beperkingen een andere oorzaak heeft en dat medische stukken die dit tegendeel bewijzen ontbreken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het slaapapneusyndroom een objectivering is van reeds bestaande klachten, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.

De Raad stelt vast dat de WAO-uitkering per 31 mei 2010 is opgehoogd wegens toegenomen beperkingen aan het bewegingsapparaat. De Raad sluit aan bij het oordeel van de rechtbank dat de toename van beperkingen per 1 juli 2009 verband houdt met het slaapapneusyndroom en niet met de oorspronkelijke klachten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering wegens een andere ziekteoorzaak.

Uitspraak

11/3281 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 april 2011, 10/6961 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn bij brief van 13 januari 2013 nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W. de Rooij-Bal.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het Uwv geweigerd de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% berekende uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juli 2009 te verhogen, onder overweging dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van toename van dezelfde klachten als die waarvoor appellante een uitkering ontvangt. Volgens de verzekeringsarts is per 1 juli 2009 sprake van een andere ziekteoorzaak.
1.2. Bij besluit van 31 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 11 mei 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In het besluit is vermeld dat het berust op toepassing van artikel 39a van de WAO.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de WAO-uitkering die appellante vanaf 22 februari 2007 (opnieuw) ontvangt, haar is toegekend vanwege beperkingen als gevolg van elleboog-, rug- en knieklachten en vanwege hypertensie. Voorts is vast komen te staan dat appellante zich per 1 juli 2009 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens het slaapapneusyndroom. Gelet op het bepaalde in artikel 39a van de WAO is er volgens de rechtbank geen sprake van dat de gestelde toeneming van arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Dit is door de verzekeringsartsen vastgesteld en op heldere wijze verwoord, aldus de
rechtbank. Het standpunt van appellante dat de vaststelling van het slaapapneusyndroom kan worden gezien als een objectivering van de reeds bestaande klachten kan de rechtbank niet volgen, omdat medische stukken die dit standpunt bevestigen, ontbreken.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de vaststelling van het slaapapneusyndroom moet worden gezien als een objectivering van de klachten die zij reeds had. Appellante heeft hierbij opgemerkt dat de door haar eerder aangegeven klachten en beperkingen, welke zijn toegenomen, ten grondslag liggen aan de nadien gestelde diagnose. Naar het oordeel van
appellante is er althans een oorzakelijk verband tussen de eerdere uitval en de latere melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. In de eerste plaats wordt vastgesteld dat uit de door appellante in hoger beroep bij brief van 13 januari 2013 toegezonden stukken kan worden afgeleid - ter zitting is dit door de gemachtigde van het Uwv bevestigd - dat de WAO-uitkering van appellante inmiddels vanaf 31 mei 2010, de datum gelegen vier weken na een latere melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 3 mei 2010, is opgehoogd naar de klasse 80 tot 100%. Onder meer uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 30 augustus 2010 komt naar voren dat hieraan ten grondslag ligt dat bestaande beperkingen van appellante aan het bewegingsapparaat en in het bijzonder haar rechterelleboog waren toegenomen.
4.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat, in het licht van het geheel van de beschikbare medische gegevens, de toename van de beperkingen van appellante per 1 juli 2009 uit een andere ziekteoorzaak voortkomt dan de ziekteoorzaak ter zake waarvan door haar reeds uitkering werd genoten. De medische gegevens wijzen uit dat de toename van beperkingen per 1 juli 2009 in verband staat met vermoeidheidsklachten die voortvloeien uit het bij appellante in augustus 2009 vastgestelde slaapapneusyndroom. De verzekeringsartsen hebben overtuigend uiteengezet dat die beperkingen niet in enig voor de toepassing van artikel 39a van de WAO relevant verband vallen te brengen met de beperkingen op grond van de elleboog-, rug- en knieklachten of hypertensie, ter zake waarvan appellante vanaf
22 februari 2007 de gedeeltelijke uitkering ontving.
4.4. Appellante heeft de door haar staande gehouden andersluidende opvatting ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens onderbouwd. Voor zover hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, als weergegeven onder rechtsoverweging 4, mede aldus moet worden begrepen dat zij de opvatting huldigt dat bij haar ook destijds in 2007 reeds sprake was van het slaapapneusyndroom en dat dit syndroom, achteraf bezien, moet worden aangemerkt als oorzaak van en verklaring voor (een deel van) haar toenmalige klachten en beperkingen, wordt aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat medische stukken ter onderbouwing van die opvatting ontbreken. Namens appellante is te kennen gegeven dat zij in afwachting is van uitslagen van medische onderzoeken, maar zij heeft uiteindelijk ook in hoger beroep geen nadere medische stukken in het geding gebracht.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
TM