ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3687

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3555 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde na onderzoek door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering vanaf 27 januari 2010.

Appellante voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren, onderbouwd met brieven van psychiater Sidali die PTSS en ernstige depressie diagnosticeerde. De bezwaarverzekeringsarts weerlegde deze diagnose op basis van eigen onderzoek en constateerde geen ernstige psychopathologie, wat door de rechtbank werd bevestigd.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en de diagnose van de psychiater niet kon worden gevolgd.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering en dat de onverschuldigd betaalde voorschotten terecht worden teruggevorderd. Er zijn geen dringende redenen om hiervan af te zien.

De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op WIA-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde voorschotten wordt bevestigd.

Uitspraak

11/3555 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
12 mei 2011, 10/2683 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met een rapport van 7 juli 2011 van bezwaarverzekeringsarts, A.J.D. Versteeg.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor 31,26 uur per week, heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 30 januari 2008 ziek gemeld met hoofdpijn, pijnklachten aan de rechterheup en het rechterbeen en psychische klachten in verband met psycho-sociale omstandigheden.
1.2. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 15 februari 2010 onderzocht door de verzekeringsarts. Na lichamelijk en psychisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts in zijn rapport van 15 februari 2010 tot het aannemen van enige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede beperkingen in de aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handeling en statische houdingen. De beperkingen zijn vastgesteld in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 maart 2010. Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 19 mei 2010 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 27 januari 2010 geen recht was ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.3. Bij besluit van 11 juni 2010 heeft het Uwv appellante bericht dat het over de periode van 27 januari 2010 tot 1 juni 2010 onverschuldigd betaalde bedrag aan voorschotten van € 5.763,09 wordt teruggevorderd.
1.4. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar aangetekend. Zij heeft daartoe gesteld dat zij volledig en duurzaam, althans gedeeltelijk, arbeidsongeschikt is zodat haar een recht op een WIA-uitkering toekomt en ook de voorschotten op juiste gronden zijn toegekend. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij gewezen op een, reeds bij het primair medisch onderzoek, overgelegde brief van 16 maart 2010 van S. Sidali, psychiater. In deze brief heeft Sidali aangegeven dat bij appellante sprake is van een chronische posttraumatische stress stoornis (PTSS), en van problemen in de sociale omgeving. Appellante heeft een GAF-score van 31 tot 40. Deze diagnose duidt er volgens appellante op dat de ernst van haar problematiek door de verzekeringsarts is onderschat. Naast psychische klachten heeft appellante pijnklachten waardoor zij nauwelijks tot huishoudelijke werkzaamheden komt. Het verrichten van deze activiteiten gaat op geleide van de pijnklachten en van haar beperkte energetische vermogens. Tot slot is appellante van mening dat een dringende reden aan terugvordering van de WIA-voorschotten in de weg staat.
1.5. De bezwaarverzekeringsarts is ingegaan op de brief van 16 maart 2010 van psychiater Sidali. In zijn rapport van 26 augustus 2010 heeft hij mede op basis van de resultaten van een nader medisch onderzoek aangegeven dat geen tekenen zijn gevonden voor een ernstige psychopathologie. Evenmin komen de onderzoeksbevindingen overeen met de door psychiater Sidali aangegeven GAF-score. Appellante gebruikt geen psychofarmaca of antidepressiva. Er is veeleer sprake van een gezinsproblematiek bij een door de kinderen niet adequaat verwerkt rouwproces. Zij beschikt over benutbare mogelijkheden zoals door de verzekeringsarts is vastgelegd in de FML van 4 maart 2010. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat twee van de vijf functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, niet geschikt zijn te achten voor appellante, dat het maatmaninkomen niet correct is vastgesteld, maar dat een schatting op basis van een correct maatmaninkomen en op basis van de resterende geschikte functies, geen consequenties heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze blijft minder dan 35%. Dit betekent tevens dat de voorschotten in het kader van de Wet WIA onverschuldigd zijn betaald en terecht zijn teruggevorderd. Bij besluit van 30 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 19 mei 2010 en 11 juni 2010, ongegrond verklaard.
2.1. In beroep zijn de eerdere gronden herhaald. Ter onderbouwing van haar psychische klachten heeft appellante een brief van 21 december 2010 van psychiater Sidali overgelegd, waarin de ernst van haar klachten wordt onderschreven. Sidali komt wederom tot een diagnose chronische PTSS alsmede een chronisch ernstige depressieve episode zonder psychotische kenmerken bij een GAF-score van 41 tot 50.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft zich - kort samengevat - kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag. Hieruit vloeit voort dat de betaalde voorschotten op de WIA-uitkering onverschuldigd zijn betaald en dat het Uwv gehouden is tot terugvordering hiervan over te gaan. Van dringende redenen is niet gebleken.
3. In hoger beroep is herhaald dat de psychische klachten in combinatie met de lichamelijke klachten van appellante zijn onderschat. Appellante is per 1 oktober 2009 voor haar psychische klachten onder behandeling gekomen van een psychiater van Alle Kleur. Voorts is gewezen op de eerder overgelegde brieven van 16 maart 2010 en 21 december 2010 van psychiater Sidali. Nu deze psychiater tot een andere, ernstiger diagnose komt dan waarvan de bezwaarverzekeringsarts is uitgegaan, had de bezwaarverzekeringsarts nader bij de behandelend psychiater moeten informeren. Door dit na te laten is sprake van een onzorgvuldig medisch onderzoek. Aan de diagnose van de behandelaar dient meer gewicht te worden gehecht dan aan die van de bezwaarverzekeringsarts. Gelet op dit verschil in diagnose had de rechtbank in elk geval een deskundige moeten benoemen. Ook ten aanzien van appellantes lichamelijke klachten zijn te lichte beperkingen aangenomen in de FML, temeer nu de psychische klachten van appellante een somatiserend effect hebben.
4. De Raad komt tot een volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - in essentie een herhaling van de eerdere gronden - geeft geen aanleiding voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een zorgvuldig onderzoek verricht. Appellante is bij beiden op het spreekuur is geweest. Beide verzekeringsartsen hebben bij het door hen bij appellante verrichte psychische onderzoek geen evidente psychopathologie vastgesteld. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat uit de anamnese van appellante een normaal activiteitenniveau blijkt, een ongestoorde gedachtegang qua inhoud en niveau en een normaal fluctuerend affect alsmede, gelet op het feit dat appellante het schoonmaakwerk na de life-events in 2003 heeft hervat in de jaren 2004 tot aan november 2006, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat niet kan worden ingestemd met de diagnose en GAF-scores zoals neergelegd in de brieven van psychiater Sidali.
4.2. Met de rapporten van 26 augustus 2010, 18 november 2010, 24 januari 2011 en
7 juli 2011, heeft de bezwaarverzekeringsarts in reactie op de namens appellante overgelegde brieven van 16 maart 2010 en 21 december 2010 van psychiater Sidali, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom met de klachten van appellante, zowel in psychisch als fysieke opzicht, in voldoende mate rekening is gehouden in de FML. Overigens blijkt uit de brieven van psychiater Sidali een opmerkelijke inconsistentie, nu hij in de brief van
21 december 2010 heeft aangegeven dat hij appellante eerst op 25 maart 2010 voor een gesprek heeft gezien terwijl hij in de brief van 16 maart 2010, reeds een DSM-IV diagnose heeft gegeven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 24 januari 2011 er terecht op gewezen, dat uit de brief van Sidali van 21 december 2010 onder “Samenvatting/Werkhypothese” de hervatting van de werkzaamheden door appellante in het jaar 2004 tot aan november 2006 niet wordt vermeld en kennelijk ook niet is meegewogen. Al met al is appellante er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat op de datum in geding sprake was van verdergaande beperkingen dan in de FML van 4 maart 2010 is aangenomen. Terecht heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv terecht en op goede gronden aan appellante een WIA-uitkering heeft geweigerd met ingang van 27 januari 2010.
4.3. Ten slotte moet worden vastgesteld dat het Uwv appellante over de periode van
27 januari 2010 tot 1 juni 2010 onverschuldigd voorschotten op de WIA-uitkering heeft betaald. Het Uwv dient op grond van artikel 77, eerste en vierde lid, van de Wet WIA tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten over te gaan, tenzij sprake zou zijn van dringende redenen die nopen daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. Dergelijke dringende reden zijn gesteld noch gebleken.
4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1. tot en met 4.3. volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
NW