ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3690

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1616 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die wegens rug- en schouderklachten sinds augustus 2008 niet meer kon werken, vroeg in april 2010 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij niet arbeidsongeschikt was omdat zij nog geschikt was voor andere functies, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bleef het oordeel dat appellante niet arbeidsongeschikt was ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij onder meer oordeelde dat de visusklachten onvoldoende waren onderbouwd en dat een WMO-beschikking niet tot een ander oordeel leidde.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met haar visusklachten en dat de WMO-toekenning haar beperkingen illustreert. De Raad oordeelde dat deze gronden reeds door de rechtbank waren behandeld en dat de nieuwe medische stukken geen nieuwe gezichtspunten boden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens onvoldoende vastgestelde arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/1616 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
1 maart 2011, 10/4167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met bijgevoegd een rapportage van bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 23 mei 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Strijbosch en W. Woning, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is wegens rug- en schouderklachten op 5 augustus 2008 uitgevallen voor haar werk als montagemedewerkster bij [naam werkgever] te [woonplaats]. In april 2010 heeft zij een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd
1.2. De verzekeringsarts M. Rodermond heeft het dossier bestudeerd, appellante gezien op het spreekuur op 27 mei 2010 en in haar rapportage van diezelfde datum overwogen dat appellante als gevolg van lage rug- en schouderklachten en suikerziekte beperkingen heeft. In een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 mei 2010 is de belastbaarheid van appellante vastgelegd. De arbeidsdeskundige M. Leentvaar heeft vervolgens in een rapportage van 11 juni 2010 vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel voor een vijftal andere functies. Op basis van de drie hoogstverlonende functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%.
1.3. Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 3 augustus 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat appellante niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.
1.4. Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 15 juni 2010, heeft Hoffman een nader onderzoek verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd, appellante op de hoorzitting gezien en bij zijn onderzoek de informatie betrokken van de huisarts A.E.M. Lucas van 18 oktober 2010. Deze heeft geen andere diagnose gesteld of substraat gevonden voor de gestelde toegenomen lichamelijke klachten van appellante. In verband met de psychische klachten heeft de huisarts psychofarmaca voorgeschreven en appellante verwezen naar maatschappelijk werk. Deze psychische klachten waren, aldus de bezwaarverzekeringsarts, nog niet aanwezig ten tijde van het onderzoek door de primaire verzekeringsarts, maar worden meegenomen in de huidige beoordeling omdat deze nog spelen voor het einde van de wachttijd. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiervoor aanvullende beperkingen geduid in de FML van 26 oktober 2010. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos in diens rapportage van 22 november 2010 aangegeven geen aanleiding te zien om van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige af te wijken.
1.5. Bij beslissing op bezwaar van 22 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2010, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. Ten aanzien van de stelling van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet is ingegaan op haar slechte zichtvermogen acht de rechtbank van belang dat de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellante heeft gezegd dat ze slecht ziet, maar daarvoor een multifocale bril draagt, en tevens dat appellante in de bezwaarfase geen gronden heeft aangevoerd die zien op (beperkingen voortvloeiend uit) haar zichtvermogen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat beperkingen ten aanzien van ‘zien’ of dat anderszins andere of meer beperkingen moeten worden aangenomen. Het in beroep overgelegde besluit ‘toekenning hulp in de huishouding’ voor drie uur per week in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een ander oordeel over de vastgestelde beperkingen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit dit toekenningsbesluit niet blijkt dat appellante onvermogend is om te werken en bovendien de WMO een ander toetsingskader kent. Daarbij merkt de rechtbank nog ten overvloede op dat de toekenning in het kader van de WMO ziet op een periode na de datum in geding 3 augustus 2010, te weten 18 november 2010. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellante met inachtneming van de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van het arbeidskundig onderzoek van 22 november 2010 als voor haar geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Nu, aldus de rechtbank, terecht geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van ‘zien’, dienen de gronden dat appellante vanwege haar gestelde slechte zichtvermogen niet in staat is tot de in de geduide functies vermelde montagearbeid en het werken met een microscoop, te falen.
3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden en daarbij haar gronden beperkt tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij handhaaft haar stelling dat de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende aandacht hebben besteed aan haar visusklachten en dat de toekenningsbeschikking in het kader van de WMO illustreert dat zij verregaande medische beperkingen heeft. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij een tweetal brieven overgelegd van haar medisch behandelaars in Brussel van 25 februari 2011 en van 18 maart 2011. Voorts heeft zij een journaal van de huisarts A.E.M. Lucas van 13 april 2011 en van de huisarts M.E.J. Oerlemans van 14 november 2012 ingezonden met bijgevoegd een brief en onderzoeksverslag van dr. Guy Celen te Kortrijk.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van gronden die reeds in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
4.2. Ten aanzien van de in hoger beroep ingezonden brieven van de medisch behandelaars in Brussel kan worden opgemerkt dat de hierin vermelde gegevens over een klinische behandeling in augustus 2008 in België bij de (bezwaar)verzekeringsartsen bekend was. Hoffman heeft in zijn nadere reactie van 23 mei 2011 opgemerkt dat zowel uit deze brieven als uit het journaal van de huisarts Lucas van 13 april 2011 geen nieuwe medische gezichtspunten naar voren komen ten aanzien van de rugklachten van appellante. Voorts constateert Hoffman dat appellante blijkbaar ook bij haar huisarts niet bekend is met visusklachten omdat hierover in het betreffende journaal niet wordt gerept, terwijl de brief van de huisarts wel gericht was aan de gemachtigde van appellante. De overige ingezonden stukken bevatten gegevens die betrekking hebben op de periode na de datum in geding, zijnde 3 augustus 2010 en kunnen reeds daarom niet tot de conclusie leiden dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet juist is.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
KR