ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die wegens rug- en schouderklachten sinds augustus 2008 niet meer kon werken, vroeg in april 2010 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij niet arbeidsongeschikt was omdat zij nog geschikt was voor andere functies, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.
Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bleef het oordeel dat appellante niet arbeidsongeschikt was ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij onder meer oordeelde dat de visusklachten onvoldoende waren onderbouwd en dat een WMO-beschikking niet tot een ander oordeel leidde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met haar visusklachten en dat de WMO-toekenning haar beperkingen illustreert. De Raad oordeelde dat deze gronden reeds door de rechtbank waren behandeld en dat de nieuwe medische stukken geen nieuwe gezichtspunten boden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens onvoldoende vastgestelde arbeidsongeschiktheid.