ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-5836 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij bezoldigingskorting ambtenaar

Appellant, werkzaam bij de dienst SAFIR van het ministerie, viel uit wegens ziekte en kreeg een bezoldigingskorting van 70% over niet-gewerkte uren. Hij maakte bezwaar tegen deze korting, die door de minister werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van het hoor en wederhoor, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn ziekte een beroepsziekte was.

De minister besloot later uit coulance een deel van de ingehouden bedragen te restitueren en handhaafde het oordeel dat er geen sprake was van een beroepsziekte. Appellant stelde dat hij nog belang had bij het hoger beroep om een oordeel over de beroepsziektevraag te verkrijgen.

De Raad oordeelde echter dat het ontbreken van een actueel geschil en het feit dat appellant financieel volledig tegemoet was gekomen, betekende dat het procesbelang ontbrak. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

10/5836 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 september 2010, 10/809 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)
Datum uitspraak: 14 maart 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2013. Appellant is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Vastenburg.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was sinds 2001 werkzaam bij de dienst SAFIR van het ministerie in de functie van coördinator Interne Controle en Audits. Op 16 oktober 2008 is appellant uitgevallen wegens ziekte (bore-out). Met ingang van 21 september 2009 heeft appellant zijn werkzaamheden voor 20 uur per week hervat. Appellant is niet meer volledig hervat in zijn functie.
1.2. Bij besluit van 6 november 2009 is de bezoldiging van appellant over de uren die hij niet werkt met ingang van 15 oktober 2009 beperkt tot 70 % van de bezoldiging. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant op die datum 52 weken wegens ziekte arbeidsongeschikt is. De beperking ziet niet op de uren waarop hij op of na 15 oktober 2009 werkzaamheden verricht.
2. Bij besluit van 8 april 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2009 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat appellant niet heeft verzocht om de beroepsziekte waaraan hij stelt te lijden gelijk te stellen met een beroepsincident, terwijl het op zijn weg had gelegen om dat te doen. De minister heeft in het kader van het bezwaar bij de bedrijfsarts navraag gedaan of daarvan sprake is. De minister heeft appellant vervolgens niet opnieuw gehoord. Om die reden dient het besluit wegens schending van artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Wel is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daarbij is van belang dat appellant is uitgevallen wegens psychische klachten. Om die klachten aan te merken als een beroepsziekte moet vast staan dat de werkzaamheden van appellant objectief bezien een buitensporig karakter hadden. Dit is, mede gelet op de brief van de bedrijfsarts, door appellant niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft zijn stelling niet met een verklaring van een deskundige arts onderbouwd. Dat de verhoudingen tussen appellant en zijn chef en appellant en zijn collega’s verstoord waren, maakt niet dat appellant lijdt aan een beroepsziekte.
3.1. Bij besluit van 22 november 2011 heeft de minister te kennen gegeven van oordeel te zijn dat de korting op de bezoldiging rechtmatig is. De arbeidsongeschiktheid van appellant wordt niet erkend als beroepsziekte. De minister heeft echter uit coulance besloten dat de in verband met de arbeidsongeschiktheid van appellant ingehouden bedragen in de periode 15 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 aan hem zullen worden gerestitueerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2010, LJN BN3526) is voor een ontvankelijk (hoger) beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak. Daartoe volstaat niet de enkele wens dat de Raad een principiële uitspraak doet.
4.2. Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat de minister met het besluit van 22 november 2011 (financieel) volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. Appellant meent dat hij nog belang heeft bij het hoger beroep, omdat hij een oordeel van de Raad wil over de vraag of zijn ziekte als een beroepsziekte aangemerkt kan worden. Nu appellant heeft erkend dat de minister (financieel) volledig tegemoet is gekomen aan zijn bezwaren, bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen de partijen. Dat appellant, los van het inmiddels beëindigde geschil met de minister, graag uitspraak wil op de principiële vraag of zijn ziekte is aan te merken als beroepsziekte is niet als voldoende procesbelang aan te merken.
5. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep van appellant vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2013.
(getekend) K. Zeilemaker
(getekend) S.K. Dekker