ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4655

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-720 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
  • C.C.M. Lange
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet WIAWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering en weigering WIA-uitkering na herstel gebreken besluit UWV

De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden inzake de intrekking van een WAO-uitkering en de weigering van een WIA-uitkering door het UWV. De Centrale Raad van Beroep heeft bij tussenuitspraak vastgesteld dat het UWV een gebrek in het oorspronkelijke besluit van 23 oktober 2009 moest herstellen.

Het UWV heeft vervolgens op 14 november 2012 een nieuw besluit genomen, waarin de WAO-uitkering met ingang van 1 februari 2013 wordt ingetrokken en de WIA-uitkering wordt geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit besluit is gebaseerd op een arbeidskundig rapport waarin de functie van chauffeur vrachtwagen als maatmanfunctie is aangemerkt.

De Raad oordeelt dat het oorspronkelijke besluit en het oordeel van de rechtbank niet in stand kunnen blijven en vernietigt deze. Het beroep tegen het herstelbesluit van 14 november 2012 wordt ongegrond verklaard. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

De Raad heeft het onderzoek gesloten zonder nadere zitting, mede omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze. De uitspraak is gedaan op 8 maart 2013 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het herstelbesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het oorspronkelijke besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd.

Uitspraak

11/720 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 december 2010, 09/2812 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B .] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 8 maart 2013.
PROCESVERLOOP
De Raad heeft bij tussenuitspraak van 7 september 2012 (LJN BX7769) het Uwv opgedragen het in die tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het bestreden besluit van het Uwv van 23 oktober 2009 te herstellen.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 november 2012 en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 november 2012 overgelegd.
Appellant heeft niet gereageerd op de hem bij brief van de griffier van 20 november 2012 geboden gelegenheid om binnen vier weken zijn zienswijze schriftelijk naar voren te brengen. Appellant heeft ook niet gereageerd op de brief van de griffier van 20 december 2012 waarin een laatste termijn van twee weken voor het indienen van de zienswijze is gesteld.
Met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van artikel 8:57, tweede lid, onder d, van
de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Bij de tussenuitspraak heeft de Raad, voor zover hier van belang, geoordeeld dat op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar aanleiding van zijn ziekmelding met ingang van 13 juni 2007 voor zijn op 26 april 2007 aangevangen werk als chauffeur vrachtwagen, na ommekomst van de wachttijd van 104 weken, in plaats van een beoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 10 juni 2009 een beoordeling op grond van de Wet WIA had moeten plaatsvinden. Daarbij heeft de Raad bij de aan het Uwv gegeven opdracht tot herstel van dit gebrek in het bestreden besluit aangetekend dat de overwegingen 6.2 en 6.3 van de tussenuitspraak ook opgeld doen voor het nieuw te nemen besluit op bezwaar. In deze overwegingen is - kort gezegd - de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Voorts is geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de in de bezwaarprocedure uiteindelijk geduide functies voor onjuist te houden. Verder is geoordeeld dat niet valt in te zien dat appellant, gelet op zijn opleidingsniveau, niet zou kunnen voldoen aan de in die functies gestelde eisen van computervaardigheid. Wel oordeelde de Raad dat het Uwv nog moet bezien of de hiervoor vermelde functie van chauffeur vrachtwagen in het kader van de beoordeling op grond van de Wet WIA als maatmanfunctie kan worden aangehouden. Ten slotte heeft de Raad, gelet op de uit het dossier blijkende ontstaansgeschiedenis van de beoordeling in dit geval met toepassing van de WAO, het van belang geacht dat het Uwv beziet welke betekenis zijn rechtspraak, die inhoudt dat in bijzondere en uitzonderlijke gevallen strikte naleving van dwingend rechtelijke voorschriften geen rechtsplicht meer kan zijn, heeft voor het met terugwerkende kracht ongedaan maken van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
2.1. Het Uwv heeft bij het besluit op bezwaar van 14 november 2012 andermaal beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2009. Deze beslissing houdt in dat het besluit van 30 juni 2009 wordt herroepen, dat de onterecht toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 februari 2013 wordt ingetrokken en dat aan appellant met ingang van
10 juni 2009 geen Wet WIA-uitkering wordt toegekend omdat appellant op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
2.2. Aan het besluit van 14 november 2012 ligt, zoals in de rubriek Procesverloop is vermeld, het arbeidskundig rapport van 12 november 2012 ten grondslag. In dit rapport is uiteengezet dat de functie chauffeur vrachtwagen, ondanks dat appellant deze functie slechts zeven weken heeft vervuld, in het kader van de beoordeling op grond van de Wet WIA als maatmanfunctie heeft te gelden. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat uit telefonisch contact met de voormalige werkgever naar voren kwam dat hij zeer tevreden was over (de inzet van) appellant. Op basis van deze maatmanfunctie werd in dit rapport een maatmanuurloon van € 11,76 berekend. Voorts werd, gelet op de urenomvang per week van de maatmanfunctie (43,68) en die van de mediane functie (37,50), het loonverlies op 21,02% gesteld.
3.1. De Raad stelt vast dat met het besluit van 14 november 2012 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. Dit beroep wordt dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 november 2012.
3.2. Het besluit van 14 november 2012, dat strekt ter heling van het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek, is in lijn met de tussenuitspraak op een andere wettelijke grondslag (Wet WIA) en daarmee deels ook op andere arbeidskundige uitgangspunten gebaseerd dan het op grond van de WAO gebaseerde betreden besluit. Dit brengt mee dat het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank daarover in rechte geen stand kunnen houden, zodat beide moeten worden vernietigd.
3.3. Het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 dient ongegrond te worden verklaard. Er zijn geen aanknopingspunten de conclusies van het in 2.2 vermelde arbeidskundig rapport voor onjuist te houden. Voorts gelden ook voor dit besluit de overwegingen 6.2 en 6.3 van de tussenuitspraak. Ten slotte is wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van intrekking van de WAO-uitkering voldaan aan de tussenuitspraak.
4. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor de kosten van de bezwaarprocedure, € 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 472,- voor de bijstand in hoger beroep, in totaal € 1.888,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 ongegrond;
-veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.888,-;
-bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.M. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) G.J. van Gendt
QH