ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht bijstand bij verstandelijke beperkingen
Appellante ontving van 2005 tot eind 2009 bijstand en was daarna werkzaam tot ontslag. Na diverse arbeidsperiodes en een ziekmelding vroeg zij op 1 maart 2011 bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2010. Het college wees de terugwerkende aanvraag af omdat bijstand niet wordt verleend voor perioden vóór de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Appellante stelde dat haar verstandelijke beperkingen en het niet kunnen overzien van complexe situaties haar verhinderden eerder een aanvraag te doen. Ter onderbouwing werd een brief van haar begeleider overgelegd. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat appellante bewust had afgezien van een eerdere aanvraag en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat haar beperkingen haar volledig verhinderden om tijdig een aanvraag te doen, ook niet met hulp.
De Raad benadrukte dat de begeleider appellante in de relevante periode ondersteunde bij het bereiken van doelen, waaronder het verkrijgen van een stabiel inkomen. Hierdoor was geen sprake van bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Geen terugwerkende bijstand toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken.