ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4834

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6675 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht bijstand bij verstandelijke beperkingen

Appellante ontving van 2005 tot eind 2009 bijstand en was daarna werkzaam tot ontslag. Na diverse arbeidsperiodes en een ziekmelding vroeg zij op 1 maart 2011 bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2010. Het college wees de terugwerkende aanvraag af omdat bijstand niet wordt verleend voor perioden vóór de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Appellante stelde dat haar verstandelijke beperkingen en het niet kunnen overzien van complexe situaties haar verhinderden eerder een aanvraag te doen. Ter onderbouwing werd een brief van haar begeleider overgelegd. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat appellante bewust had afgezien van een eerdere aanvraag en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat haar beperkingen haar volledig verhinderden om tijdig een aanvraag te doen, ook niet met hulp.

De Raad benadrukte dat de begeleider appellante in de relevante periode ondersteunde bij het bereiken van doelen, waaronder het verkrijgen van een stabiel inkomen. Hierdoor was geen sprake van bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Geen terugwerkende bijstand toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken.

Uitspraak

11/6675 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2011, 11/3686 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)
Datum uitspraak 19 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Julius, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 februari 2013. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft van 30 juni 2005 tot 1 december 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen.
1.2. Appellante heeft van 17 december 2009 tot 10 juni 2010 bij [werkgever 1] gewerkt totdat zij is ontslagen. Haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid. Appellante is daarna werkzaam geweest bij [werkgever 2] en heeft na twee weken vanwege gebrek aan werk ontslag genomen. Zij is vervolgens vanaf 12 augustus 2010 in dienst getreden bij een uitzendbureau. Na ziekmelding heeft appellante vanaf 2 maart 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen.
1.3. Appellante heeft zich op 1 maart 2011 gemeld om (aanvullende) bijstand bij de Werkbedrijfvestiging van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen met als gewenste ingangsdatum 1 december 2010. Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 1 maart 2011 bijstand toegekend. Over de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 is de aanvraag afgewezen omdat geen bijstand kan worden verleend over een periode gelegen voor de datum van melding.
1.4. Bij besluit van 23 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de in het besluit van 4 april 2011 genoemde ingangsdatum van 1 maart 2011 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet in staat was om in de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 een aanvraag te doen omdat zij verstandelijk beperkt is en daardoor gecompliceerde situaties niet goed kan overzien. Ter ondersteuning is gewezen op een brief van 3 mei 2011 van haar begeleider, J. Stol van de Stichting MEE Amstel en Zaan. Stol heeft in deze brief uiteengezet waarom appellante niet in staat was om eerder bijstand aan te vragen en dat de verlate aanvraag haar niet is aan te rekenen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval niet is gebleken van zodanige omstandigheden dat het college met terugwerkende kracht bijstand moest verlenen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij er bewust van heeft afgezien eerder dan op 1 maart 2011 een aanvraag om bijstand in te dienen, omdat haar prioriteit lag bij het vinden van werk. Eerst toen de situatie te complex werd (teveel schulden, te weinig inkomsten en fysieke beperkingen), heeft appellante een aanvraag ingediend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege verstandelijke beperkingen en het niet goed overzien van gecompliceerde situaties, steeds buiten staat is geweest zelf of met behulp van derden eerder een aanvraag in te dienen. In dit verband is tevens van belang dat Stol appellante in de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 heeft begeleid bij het bereiken van een aantal doelen, waaronder het verkrijgen van een stabiel inkomen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het college de ingangsdatum van de bijstand terecht met toepassing van de hoofdregel op 1 maart 2011 heeft gesteld.
4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) R. Scheffer
HD