ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4837

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6672 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 Wet werk en bijstandArt. 6.3 Beleidsregels Inkomensvoorzieningen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van openstaande vorderingen wegens niet voldoen aan beleidsvoorwaarden

Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om kwijtschelding van openstaande vorderingen. Dit verzoek werd bij besluit van 23 maart 2011 afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van financiële draagkracht in de toekomst recht had op kwijtschelding.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand het college bevoegd is om terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstandskosten te doen, maar ook om hiervan geheel of gedeeltelijk af te zien. Het college heeft beleidsregels vastgesteld waarin voorwaarden zijn opgenomen voor kwijtschelding, waaronder het ontbreken van betalingen gedurende vijf jaar en het bestaan van dringende redenen.

Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij aan deze voorwaarden voldeed. Zij ontvangt bijstand van een andere gemeente, waardoor het niet onaannemelijk is dat zij in de toekomst betalingen zal verrichten. De persoonlijke omstandigheden van appellante en de tijdelijke draagkrachtberekeningen boden geen dringende reden om af te zien van invordering. Ook werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die afwijking van het beleid rechtvaardigen.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6672 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2011, 11/3391 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 19 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Julius, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 februari 2013. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 23 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2011 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante om kwijtschelding van openstaande vorderingen bij het college afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 6.3 van de Beleidsregels Inkomensvoorzieningen (beleidsregels) gestelde voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat zij in de toekomst niet over voldoende draagkracht zal beschikken om haar schulden af te lossen, dat zij weinig sociale en financiële stabiliteit heeft gekend en dat zij de zorg heeft voor haar kinderen. Appellante meent dat zij wel voldoet aan de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Zij heeft als dringende redenen om van terugvordering af te zien gewezen op haar persoonlijke omstandigheden. Zij heeft een aantal heftige drama’s meegemaakt, heeft vele schulden en kan haar hoofd nauwelijks boven water houden. Subsidiair heeft zij gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het geldende beleid.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van - verdere - terugvordering (lees: invordering) moet hierin besloten worden geacht.
4.2. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld en gepubliceerd. Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de beleidsregels kan het college besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, dan wel als betrokkene een beroep doet op de aanwezigheid van dringende redenen en dit beroep door het college is gehonoreerd. Het is aan appellante om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de geldende voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen (CRvB 26 oktober 2010, LJN BO4355). Appellante is hierin niet geslaagd.
4.3. Vaststaat dat appellante bijstand ontvangt van de gemeente Diemen. Het is hierdoor niet onaannemelijk dat appellante in de toekomst van haar bijstand of enig ander inkomen betalingen zal gaan verrichten ter aflossing van haar schulden aan het college, bijvoorbeeld via een inhouding op haar bijstand. De omstandigheid dat uit de op verzoek van appellante gemaakte draagkrachtberekeningen van augustus 2011 en september 2012 is gebleken dat appellante tijdelijk geen aflossingen kan verrichten, maakt dit niet anders. Bij de draagkrachtberekening van september 2012 heeft het college bepaald dat appellante niet op haar schulden hoeft af te lossen en dat haar financiële draagkracht per 1 maart 2013 opnieuw zal worden beoordeeld. Op voorhand is niet uitgesloten dat appellante na deze datum wel over voldoende draagkracht zal beschikken om haar schulden aan het college verder af te lossen. Uit het gegeven dat appellante weinig sociale en financiële stabiliteit heeft gekend en dat zij de zorg heeft voor haar kinderen, kan evenmin worden afgeleid dat zij in de toekomst geen betalingen (meer) zal kunnen verrichten.
4.4. Hetgeen appellante heeft gesteld over haar persoonlijke omstandigheden levert geen dringende reden op om van (verdere) invordering af te zien. Hierbij is van belang dat een belanghebbende als schuldenaar de bescherming heeft, of kan inroepen, van de regels inzake de beslagvrije voet en dat deze steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uit de in 4.3 vermelde draagkrachtberekening van september 2012 is gebleken dat appellante geen ruimte heeft om af te lossen en is haar schuld tijdelijk buiten invordering gesteld. Ten slotte heeft appellante geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college van het beleid had moeten afwijken of de vordering had moeten matigen.
4.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) R. Scheffer