ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13-487 WIA-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening IVA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster, aan wie een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, verzocht om een voorlopige voorziening om een IVA-uitkering te verkrijgen. Dit zou haar in staat stellen een hogere hypothecaire lening te verkrijgen voor de aankoop van een woning. Het hoger beroep richt zich tegen de niet-ontvankelijkheid van haar beroep bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter overweegt dat er wel procesbelang is in het hoger beroep, maar dat het spoedeisend belang ontbreekt. Verzoekster stelt dat de woning verkocht kan zijn voordat het hoger beroep is afgerond, maar haar huidige woonomstandigheden vormen geen noodsituatie. Ook het belang bij zekerheid over re-integratieverplichtingen levert geen spoedeisend belang op.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 22 maart 2013.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor toekenning van een IVA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

13/487 WIA-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[A te B] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. S.G.C. van Ingen, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen en [C]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, op verzoek gedaan door een partij in de hoofdzaak een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten en de standpunten van partijen naar de dossierstukken en naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2012, 12/2188.
3. Verzoekster, aan wie een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%, heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoekster een IVA-uitkering krijgt. Dit is volgens verzoekster noodzakelijk omdat zij in dat geval een hoger bedrag aan hypothecaire lening kan ontvangen. Als gevolg van de onder 2 genoemde uitspraak is verzoekster thans niet in staat de lening te verkrijgen die nodig is om de woning te kopen waarop zij en haar partner hun oog hebben laten vallen. Indien de hoger beroepsprocedure wordt afgewacht, dan is de kans groot dat de woning reeds verkocht is.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Alvorens zich uit te laten over het op aspecten van materiële aard betrekking hebbende verzoek om een voorlopige voorziening, ziet de voorzieningenrechter zich eerst gesteld voor de vraag of het door verzoekster ingestelde hoger beroep - dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is - kans van slagen heeft. De rechtbank is tot het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het beroep gekomen onder overweging dat het late beroep dat verzoekster heeft gedaan op de stelling dat haar een IVA-uitkering toekomt moet worden gepasseerd. Verzoekster heeft eerst ter zitting van de rechtbank die stelling naar voren gebracht en zij heeft bovendien niets aangevoerd dat zou kunnen wijzen op een aanspraak op die uitkering. Voorts is er geen procesbelang gelegen in de door verzoekster nagestreefde verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage omdat zo’n verhoging geen hoger bedrag aan toegekende loongerelateerde WGA-uitkering oplevert. Tenslotte is er volgens de rechtbank ook geen procesbelang gelegen in een eventuele re-integratieverplichting voor verzoekster nu besluitvorming daaromtrent nog niet aan de orde is.
4.2. Er is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter procesbelang in hoger beroep.
4.2.1. De laattijdigheid van de stelling over de IVA-uitkering speelt in hoger beroep geen rol, nu in het aanvullend hoger beroepschrift is betoogd dat verzoekster aanspraak heeft op een IVA-uitkering. De mate waarin de op die aanspraak betrekking hebbende grond slaagt is niet van belang voor de vraag of verzoekster procesbelang heeft. Zie de uitspraak van de Raad van 8 maart 2013, LJN BZ3658.
4.2.2. Gezien de uitspraak van de Raad van 15 februari 2013, LJN BZ1485, kan procesbelang niet worden ontzegd in een situatie als de onderhavige, waarin een verhoging wordt nagestreefd van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat aan een loongerelateerde WGA-uitkering ten grondslag ligt.
4.3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is het noodzakelijk dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Verzoekster zoekt dat spoedeisend belang in de omstandigheid dat de begeerde woning verkocht zou kunnen zijn voordat het hoger beroep voltooid is. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster daarvoor een IVA-uitkering nodig heeft. Uit door verzoekster overgelegde informatie van een hypotheeknemer blijkt dat slechts een uitkering zonder einddatum als bestendig inkomen wordt aangemerkt en daarom - anders dan bij een WGA-uitkering het geval is - wordt meegenomen bij de berekening van het (maximaal) te lenen hypotheekbedrag.
4.4. Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek aldus toegelicht dat zij in het verleden op haar eigen inkomen een kleine arbeiderswoning heeft gekocht. Inmiddels woont zij daar met haar man en haar twee kinderen van drie en zes jaar oud. Het huis is naar haar zeggen te klein geworden voor haar gezin, de aankoop van een groter huis is daarom dringend nodig.
4.5. In hetgeen door verzoekster is aangevoerd blijkt niet dat er een spoedeisend belang is als bedoeld in 4.3. Een dergelijk belang kan niet gelegen zijn in de huidige woonomstandigheden van het gezin van verzoekster, reeds om dat die niet een noodsituatie vormen. De ter zitting enigszins zijdelings vermelde omstandigheid dat verzoekster belang heeft bij het reeds nu verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid over de vraag of zij nog te maken krijgt met re-integratieverplichtingen en de invloed daarvan gedurende en wellicht na afloop van de WGA-uitkering levert evenmin een spoedeisend belang op in de vorenbedoelde zin.
4.6. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas