ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens ontbreken hulpbehoevendheid bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1991 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Deze uitkering werd ingetrokken met ingang van 1 augustus 2007, omdat zij toen een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met een partner, waardoor het recht op de uitkering eindigde. Appellante voerde bezwaar aan tegen deze intrekking en stelde dat zij wel hulpbehoevend was en dat de gezamenlijke huishouding juist vanwege die hulpbehoevendheid was aangegaan.
De Raad toetste de hulpbehoevendheid aan de wettelijke definitie en beleidsregels van de Sociale verzekeringsbank (Svb). Uit medische verklaringen en overige stukken bleek dat appellante weliswaar lijdt aan angst- en paniekstoornissen en emotioneel en praktisch op haar partner is aangewezen, maar niet voldeed aan de criteria van hulpbehoevendheid zoals bedoeld in de Anw. Tevens was zij pas vanaf juni 2008 bij het RIAGG bekend en was de situatie in juli 2007 minder ernstig.
De Raad concludeerde dat appellante in juli 2007 niet hulpbehoevend was en dat de gezamenlijke huishouding niet vanwege hulpbehoevendheid was aangegaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd wegens ontbreken van hulpbehoevendheid bij aanvang gezamenlijke huishouding.