ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5765

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/1617 ZW + 13/1194 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening besluit UWV wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het UWV waarin een verzoek tot herziening van een eerder besluit werd afgewezen. Appellante, de erven van een betrokkene, had een herzieningsverzoek ingediend dat door het UWV werd afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd is om een herhaald verzoek inhoudelijk te beoordelen, maar bij handhaving van de afwijzing de toetsing beperkt dient te blijven tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Appellante kon niet aantonen dat zij nieuwe feiten of omstandigheden had ingebracht die het besluit rechtvaardig konden herzien.

Daarom bevestigde de Raad het besluit van 19 december 2012 van het UWV en verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan appellante.

De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 27 maart 2013 en betreft een sociaalzekerheidsrechtelijke bestuursrechtelijke procedure.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het UWV-besluit is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

11/1617 ZW, 13/1194 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
28 januari 2011, 10/1059 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
(de erven van) [naam betrokkene] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Op 28 november 2012 heeft de Raad een tussenuitspraak gedaan (LJN BY4473). Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv op 19 december 2012 een nieuw besluit genomen.
Bij brief van 23 januari 2013 heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat, namens appellante haar zienswijze op het nieuwe besluit van 19 december 2012 gegeven.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Voor een uiteenzetting van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak. Hij voegt hieraan het volgende toe.
2. In het nieuwe besluit van 19 december 2012 heeft het Uwv het herzieningsverzoek van appellante van 9 juni 2010 afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden zoals is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb. Het Uwv heeft daarbij te kennen gegeven dat het destijds vastgestelde dagloon van € 26,25 een gemiddelde is van de inkomsten die appellante op loonbasis bij haar werkgever [naam werkgever] genoot. Volgens het Uwv hebben de door appellante ingebrachte salarisspecificaties met betrekking tot haar inkomsten uit het Persoonsgebonden budget (PGB) geen invloed op de dagloonberekening, aangezien er geen premies sociale verzekering en/of loonheffing worden berekend en dus geen sprake is van het loonbegrip zoals is vermeld in artikel 16 Wet Pro financiering sociale verzekeringen (Wfsv).
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Appellante heeft zich niet met het nieuwe besluit van 19 december 2012 kunnen verenigen. Op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt het nieuwe besluit bij het onderhavige geding betrokken.
3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zo een geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
3.3. Van degene die een bestuursorgaan verzoekt om van een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit terug te komen, mag worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Daarbij dient als uitgangspunt dat een (nieuw) argument geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Wil een (nieuw) argument doel kunnen treffen, dan dient dit te zijn ontleend aan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in voorbedoelde zin.
3.4. De Raad ziet geen aanleiding om het standpunt van het Uwv zoals is neergelegd in het nieuwe besluit van 19 december 2012 voor onjuist te houden. Gelet op hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Hiervan uitgaande kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn besluit van 19 december 2012 heeft kunnen komen.
4. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 944,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2010 gegrond en vernietigd dit besluit;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2012 ongegrond;
-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van
€ 944,-.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) P. Boer
JL