ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante, een Oekraïense vrouw die sinds 2007 bijstand ontving, kreeg haar uitkering ingetrokken met ingang van 1 maart 2010 omdat zij niet langer beschikte over een rechtmatige verblijfsstatus. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem besloot tot intrekking nadat zij op de hoogte waren van het ontbreken van een verblijfstitel sinds december 2009.
Appellante voerde aan dat zij verbleef in een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en dat de intrekking van de bijstand leidde tot beëindiging van haar opvang, waardoor zij dakloos werd. Zij stelde dat dit in strijd was met haar rechten onder artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Raad oordeelde dat appellante tijdens de relevante periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, waardoor zij onder artikel 16, tweede lid, viel en geen recht had op bijstand. De Raad liet de vraag of appellante bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro in dit kader buiten beschouwing en bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Arnhem bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus.