ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet en mandaat bevoegdheid Cvz
Appellant, woonachtig in Duitsland en gerechtigd tot zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), betwist de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2007 door het College voor zorgverzekeringen (Cvz). Hij stelt onder meer dat de mandaatverlening niet rechtsgeldig is en dat de woonlandfactor leidt tot discriminatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt het oordeel over het besluit van 16 februari 2010 wegens niet-ontvankelijkheid en bevestigt het oordeel over het besluit van 2 augustus 2010.
De Raad oordeelt dat de mandaatverlening aan mr. Van den Bosch toereikend is om namens Cvz besluiten op bezwaar te nemen. De overschrijding van de beslistermijn leidt niet tot verval van de bevoegdheid van Cvz. De woonlandfactor is niet discriminerend en strookt met het gelijkheidsbeginsel. De Raad wijst het beroep af en bevestigt de definitieve jaarafrekening.
De uitspraak benadrukt dat Cvz bevoegd is de buitenlandbijdrage vast te stellen binnen de wettelijke kaders en dat het geschil over ouderenkorting buiten de reikwijdte van deze procedure valt. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed vanwege niet-ontvankelijkheid van een deel van het beroep.
Uitkomst: Beroep tegen besluit van 16 februari 2010 niet-ontvankelijk; beroep tegen besluit van 2 augustus 2010 ongegrond verklaard.